De Rechtbank Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de uitleg van de term ‘de kinderen van mijn echtgenote’ in een testament.

De vorderingen van eisers zijn gericht op het buiten werking stellen van de benoeming van gedaagden tot erfgenamen in de uiterste wilsbeschikking van erflater.

Dit vereist een uitleg van de uiterste wil van erflater aan de hand van het bepaalde in artikel 4:46 lid 1 BW en de jurisprudentie daarover, dan wel dat die uiterste wil ten gunste van gedaagden is opgesteld onder invloed van een onjuiste beweegreden (artikel 4:43 BW).

Eisers dienen feiten en omstandigheden te stellen, en aan te tonen, dat de uiterste wil van erflater ten gunste van gedaagden geen werking heeft jegens gedaagden door uitleg, dan wel vernietiging, van die uiterste wil.

Erfrecht. Uitleg van een testament. Uitleg van de term ‘de kinderen van mijn echtgenote’. Huwelijk. Echtscheiding. Hertrouwen. Stiefkinderen. Stiefmoeder. Overgangsrecht. Toetsing.

De rechter oordeelt als volgt.

Bij de uitleg van de uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil wenst te regelen, en op omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (artikel 4:46 lid 1 BW).

Bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, kunnen feiten en omstandigheden van daarna van belang zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Doen zich na het opmaken van de uiterste wil feiten en omstandigheden voor waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij hetgeen de erflater kennelijk wenste te regelen, dan kan de uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikking alleen gold voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden  voorgedaan.

Anders dan gedaagden hebben betoogd kan artikel 4:46 lid 1 BW ook in deze procedure op deze wijze worden toegepast.

De feitelijke situatie in de procedure waarin de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan (er was sprake van een nieuwer concepttestament dan de omstreden uiterste wilsbeschikking en op het moment van de uiterste wil waren de kinderen van erflater nog niet geboren) maakt de uitleg die de Hoge Raad aan artikel 4:46 lid 1 BW geeft, niet anders.

Eisers hebben gewezen op de volgende feiten en omstandigheden ter ondersteuning van hun primaire en subsidiaire vordering:

  1. erflater heeft zijn testament laten vastleggen op 9 september 1997.
  2. op dat moment woonde erflater samen met de stiefmoeder en woonde gedaagde 2 bij hen in.
  3. in het testament is het eigendom van alle roerende en onroerende zaken onder de verplichting van inbreng van de waarde daarvan aan de stiefmoeder gelegateerd.
  4. de stiefmoeder is in het testament een vruchtgebruik toegekend van de gehele nalatenschap van erflater.
  5. Gedaagden worden in het testament expliciet aangeduid met “de kinderen van mijn echtgenote”.
  6. na de echtscheiding van erflater en de stiefmoeder zijn de stiefmoeder en gedaagde 2 uit de woning vertrokken.
  7. erflater heeft na die echtscheiding geen contact onderhouden of gehad met gedaagden.

Gedaagde heeft slechts verweer gevoerd tegen de stelling van eisers dat hij en erflater geen contact hebben gehad of onderhouden na 1998.

Uit dit alles volgt dat erflater op het moment van het vaststellen van zijn testament kennelijk voor ogen heeft gestaan dat hij met de stiefmoeder een gezin zou stichten waartoe haar zonen – zijn stiefkinderen – op gelijke voet als zijn eigen kinderen – zijn bloedverwanten – zouden behoren.

Die verhouding heeft erflater willen regelen in zijn uiterste wil waarmee hij de stiefmoeder, gedaagden en eisers voor gelijke delen tot zijn erfgenamen heeft benoemd.

Verder heeft erflater voor ogen gestaan dat de stiefmoeder ook na zijn dood in de woning kon blijven wonen.

De erflating ten gunste van de stiefmoeder is door de echtscheiding doorkruist, zoals is bepaald in artikel 4:52 BW, dat ook van toepassing is op het testament uit 19973.

In artikel 4:52 BW staat dat door echtscheiding de uiterste wil ten gunste van de (ex-) echtgenoot geen werking heeft.

Tussen partijen staat dan ook vast dat de stiefmoeder door de echtscheiding geen aanspraak meer kan maken op haar rechten uit hoofde van het testament.

Artikel 4:52 BW bepaalt echter niets over het gevolg van een echtscheiding voor de uiterste wil ten gunste van de stiefkinderen.

Voordat artikel 4:52 BW in werking is getreden is over de uitleg van een testament onder het oude recht (geldend tot 1 januari 2003) in jurisprudentie beslist in een geval vergelijkbaar met deze procedure.

In die zaak heeft de erflater zijn toenmalige echtgenote en de kinderen van die echtgenote (met naam genoemd en aangeduid als “de kinderen van mijn echtgenote”) benoemd tot (mede-)erfgenamen.

Na het opstellen van het testament is het huwelijk tussen de erflater en die echtgenote ontbonden.

In die zaak is beslist dat de uiterste wil van erflater geen werking heeft voor de voormalige echtgenote en de kinderen van de voormalige echtgenote.

Een doorslaggevende omstandigheid daarin was dat de erflater in zijn uiterste wil heeft opgenomen “mijn echtgenote” en “de kinderen van mijn echtgenote”.

Door de echtscheiding is geen sprake meer van dezelfde feitelijke verhouding die de erflater in zijn testament heeft willen regelen, aldus die jurisprudentie (over het oude recht).

In 2003 heeft de Hoge Raad deze uitspraak bevestigd.

In de literatuur wordt op basis van de hiervoor genoemde jurisprudentie betoogd dat ook onder het nieuwe recht de uiterste wil van een stiefouder ten gunste van stiefkinderen geen werking heeft indien de stiefouder is gescheiden van de ouder van die stiefkinderen (zoals hier aan de orde) en er sprake is van een veranderde feitelijke verhouding tussen erflater en de stiefkinderen door die echtscheiding.

Ook in deze zaak is de vraag of erflater ten tijde van het opmaken van het testament de bedoeling heeft gehad dat na de echtscheiding van de stiefmoeder zijn uiterste wil ten gunste van gedaagden zou blijven staan.

Eisers stellen dat dit niet het geval is en verwijzen naar de omstandigheden die hiervoor zijn opgenomen.

Dat erflater na 1998 geen contact heeft onderhouden met gedaagden hebben zij onderbouwd met een verklaring van A en de echtgenoot van eiser.

Beiden verklaren dat erflater nooit over gedaagden heeft gesproken en dat zij verder niet van, of over, gedaagden hebben gehoord.

Verder blijkt uit die verklaringen dat erflater de laatste drie jaren van zijn leven door ziekbed niet buitenshuis is geweest en is verzorgd door eisers, A en de partner van eiser.

Gedaagden hebben in die jaren geen contact gehad met erflater, aldus steeds eisers.

Dat er de laatste drie jaar van het leven van erflater geen contact meer is geweest, wordt door gedaagden niet betwist.

Gedaagden voeren aan dat er wel degelijk sprake is geweest van relevant contact en verwijzen naar de door hen gestelde omstandigheden.

Ter zitting hebben gedaagden een nader bewijsaanbod gedaan.

De rechtbank kent met inachtneming van hetgeen eerder is vermeld, groot gewicht toe aan het feit dat erflater in zijn uiterste wil gedaagden heeft aangeduid met “de kinderen van mijn echtgenote”, ook al heeft hij gedaagden vervolgens bij naam genoemd.

Uit deze bewoordingen volgt dat erflater bij zijn uiterste wil ten gunste van [gedaagden] nadrukkelijk is uitgegaan van zijn huwelijk met de stiefmoeder en dus kennelijk niet van de situatie dat zijn huwelijk met de stiefmoeder door echtscheiding zou zijn ontbonden.

Uitgangspunt is dan ook dat erflater de feitelijke verhouding tussen hem en gedaagden toen heeft beschouwd als een gezinssituatie door zijn huwelijk met de stiefmoeder.

De rechtbank acht voorshands voldoende aannemelijk dat door de echtscheiding aan die gezinssituatie een einde is gekomen.

Daarmee sluit de feitelijke situatie niet meer aan bij hetgeen erflater in het testament beoogde te regelen.

De rechtbank acht eisers dan ook vooralsnog geslaagd in hun stel- en bewijsplicht van de door haar voorgestane uitleg van het testament.

Voorshands is voldoende aannemelijk dat de feitelijke verhouding tussen erflater en gedaagden na 1998 niet aansluit bij verhouding die erflater in 1997 heeft willen regelen met zijn uiterste wil ten gunste van gedaagden.

Dat erflater in 2019 over zijn testament ten gunste van gedaagden heeft nagedacht bij zijn wens volledig eigendom te krijgen van zijn woning, is vooralsnog onvoldoende aannemelijk.

Ook de beweerde contactmomenten tussen gedaagden en erflater zijn vooralsnog onvoldoende om vast te stellen dat erflater bij het opstellen van het testament de bedoeling heeft gehad dat de erfstelling van gedaagden ook na de echtscheiding, zou gelden.

Gedaagden worden in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren van de voorshands bewezen stelling dat de feitelijke verhouding tussen erflater en gedaagden na 1998 niet aansluit bij verhouding die erflater in het testament van 1997 heeft willen regelen gunste van gedaagden.

Gedaagden zullen in de gelegenheid worden gesteld zich op een termijn van vier (4) weken na dit vonnis uit te laten over de wijze waarop zij tegenbewijs willen leveren.

Indien gedaagden getuigen wil horen dienen zij de op te roepen getuigen met naam te benoemen en tevens de verhinderdata van de betrokkenen op te nemen voor de periode september tot en met december 2025.

Indien gedaagden schriftelijk tegenbewijs willen leveren dienen zij dit gelijktijdig met de hier bedoelde akte te overleggen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.