De Rechtbank Gelderland heeft onlangs uitspraak gedaan in kort geding over de opheffing van een conservatoir beslag voor een niet-opeisbare vordering.
Bij testament van 7 december 2022 heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt.
Hierin heeft hij eisers benoemd tot zijn enige erfgenamen.
Gedaagde is onterfd en heeft een legaat verkregen in de vorm van een geldbedrag dat in omvang is gelijkgesteld aan de vordering die overige eiser naar aanleiding van het overlijden van erflater op eiser verkrijgt.
Deze vordering van gedaagde is pas bij het overlijden van eiser opeisbaar.
Voorts is in het testament eiser benoemd tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder, welke benoeming zij heeft aanvaard.
Bij verzoekschrift van 23 mei 2024 heeft gedaagde verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir beslag op de tot de nalatenschap behorende woning.
Erfrecht. Kort geding. Opheffing van conservatoir beslag voor een niet-opeisbare vordering. Bijzondere omstandigheden. Zwaarwegende belangen. Toetsingskader.
De rechter oordeelt als volgt.
Volgens artikel 705 lid 2 Rv moet het beslag onder meer worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt.
Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481).
Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd.
Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen.
Daarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.
Eiser heeft dienaangaande onweersproken aangevoerd dat de vordering van gedaagde niet opeisbaar is, dit ook niet binnen afzienbare tijd wordt en dat op grond van het testament geen verplichting bestaat tot het bieden van zekerheid voor de vordering van gedaagde.
Eiser stelt dat het door gedaagde gelegde beslag haar ondertussen wel belemmert bij het verdelen van de nalatenschap en voorts bij het door haar gewenste vestigen van een (opeet)hypotheek op het onroerend goed.
Hoewel gedaagde er terecht heeft op gewezen dat de Hoge Raad heeft beslist dat het “niet onmogelijk” is om conservatoir beslag te leggen voor een niet opeisbare vordering (HR:2016:1271), geldt dat dit slechts mogelijk is onder bijzondere omstandigheden of bij zwaarwegende belangen die de handhaving van het beslag rechtvaardigen.
Gedaagde stelt dat zijn belang bij de handhaving van het beslag is gelegen in de gegronde vrees dat door overige eiser financieel misbruik gemaakt wordt van eiser en haar bevoegdheden als executeur-afwikkelingsbewindvoerder.
Dit maakt een beroep op de niet-opeisbaarheid van de vordering van gedaagde door eiser naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, aldus gedaagde.
In dat kader heeft gedaagde er onder meer op gewezen dat overige eiser hoge schulden heeft, dat een executieverkoop van zijn woning daardoor reëel is en dat de (voorheen) bij de afwikkeling van de nalatenschap betrokken notaris zou hebben verklaard dat eiser zich makkelijk laat beïnvloeden door haar zoons.
Dat gelet daarop een risico bestaat op financieel misbruik van eiser door overige eiser, waardoor zijn verhaalsmogelijkheden worden gefrustreerd, is echter onvoldoende aannemelijk gemaakt door gedaagde.
Gedaagde heeft op dat punt namelijk aangevoerd dat eiser een garantie van € 40.000,00 heeft gegeven aan privéschuldeisers van overige eiser, dat een stuk tot de nalatenschap behorende grond tegen een te lage prijs is verkocht aan overige eiser en dat eiser ten behoeve van overige eiser een borgstelling heeft gegeven.
Ter zitting is echter toegelicht dat garantie van € 40.000,00 ondertussen achterhaald is nu deze schuld reeds volledig door overige eiser is voldaan.
Bovendien is door gedaagde onvoldoende onderbouwd waaruit zou volgen dat deze garantie van eiser tot stand is gekomen door misbruik vanuit de zijde van gedaagde.
Dit had wel op zijn weg gelegen, nu als uitgangspunt heeft te gelden dat het eiser vrij staat om over haar vermogen te beschikken hoe zij dat wenst.
Tijdens de mondelinge behandeling is voorts naar voren gebracht dat de door gedaagde aangevoerde grondtransacties met overige eiser al met erflater voor zijn overlijden waren overeengekomen, zodat dit evenmin een onderbouwing biedt voor de vrees van misbruik van eiser.
Tot slot is gebleken dat partijen het er eveneens over eens zijn geworden dat de borgstelling die volgens gedaagde door eiser zou zijn gegeven ten behoeve van overige eiser, niet door eiser is ondertekend.
Daarmee zijn door gedaagde onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit (de vrees voor) financieel misbruik van eiser afgeleid kan worden.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de belangen van eiser bij het opheffen van het beslag zwaarder wegen dan het belang van gedaagde bij het handhaven van het conservatoir beslag voor zijn niet-opeisbare vordering.
De vordering van eiser tot opheffing van het conservatoir beslag zal daarom toegewezen worden.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.