De Rechtbank Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een einde was gekomen van de taken van de executeur.
Partijen zijn broer en zus van elkaar.
Hun vader is overleden in 2014 en hun moeder in 2021.
Zij zijn samen enige erfgenamen van hun moeder.
De moeder was enige erfgenaam van vader door een tweetrapsmaking en het vermogen van vader is volledig gevloeid in het vermogen van moeder.
De moeder heeft in haar testament een executeur benoemd en de executeur heeft taken uitgevoerd voor de afwikkeling van de nalatenschap.
Tussen partijen staat ter discussie of de taak van de executeur is geëindigd en of aan hem decharge kan worden verleend.
Erfrecht. Tweetrapsmaking. Einde van de taken van de executeur. Voldoen van de schulden van de nalatenschap. Aangifte erfbelasting. Afleggen van rekening en verantwoording.
De rechter oordeelt als volgt.
Partijen twisten over de vraag of de taak van [executeur] als executeur is geëindigd.
Op grond van artikel 4:144 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de executeur de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen.
Wanneer de executeur deze werkzaamheden als zodanig heeft voltooid, eindigt zijn taak (artikel 4:149 lid 1 onder a BW).
De rechtbank komt tot het oordeel dat de taak van de executeur is geëindigd en overweegt daartoe het volgende.
Uit de overgelegde stukken volgt dat de executeur gereed is met het in kaart brengen van de omvang van de nalatenschap, hij heeft schulden van de nalatenschap voldaan en de legaten overeenkomstig het testament afgegeven en daarmee is de nalatenschap geschikt voor verdeling.
Gedaagde heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat de executeur zijn werkzaamheden nog niet heeft voltooid en de rechtbank begrijpt uit zijn verweer dat er nog schulden van de nalatenschap zouden bestaan die aan gedaagde zouden moeten worden voldaan, maar de rechtbank volgt gedaagde hierin niet en legt hierna uit waarom.
Gedaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de aangifte erfbelasting 2021 op een te hoog bedrag is gebaseerd en dat daarom nog een correctie moet worden ingediend bij de Belastingdienst, en dat de aangifte erfbelasting van de nalatenschap van erflater op een te laag bedrag is gebaseerd.
In de rolbeslissing is overwogen dat gedaagde, na herberekening van de Belastingdienst, het teveel betaalde terug heeft ontvangen.
Weliswaar betwist gedaagde dit en voert hij aan dat de Belastingdienst dit heeft uitbetaald op de ervenrekening, maar eiser heeft hiertegen ingebracht dat gedaagde de erfbelasting niet heeft betaald, waardoor de executeur dit vanuit de nalatenschap heeft voorgeschoten en dat het daarom terecht is dat het teveel betaalde is overgemaakt naar de ervenrekening.
Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van gedaagde gelegen om zijn stelling dat hij zelf het teveel betaalde aan erfbelasting had moeten ontvangen, nader te onderbouwen.
Nu hij dit niet heeft gedaan, kan dit niet leiden tot het oordeel dat er nog kosten vanuit de nalatenschap aan gedaagde moeten worden voldaan en een andere verdeling moet plaatsvinden dan de executeur heeft voorgesteld.
In de rolbeslissing heeft de rechtbank met een voorbeeld voorgerekend dat het te laag berekenen van het erfdeel van erflater feitelijk niet tot andere bedragen leidt.
Ook hier kan dus het voorstel van de executeur/BDO voor de fiscaliteit worden gevolgd.
Gedaagde heeft verder nog commentaar gegeven op wat in de rolbeslissing is overwogen over de giftenstaat.
Hoewel gedaagde er terecht op heeft gewezen dat een onjuiste opstelling van de giften kan leiden tot een vordering van de nalatenschap op eiser of gedaagde dan wel een schuld van de nalatenschap aan de een of ander, heeft gedaagde verder niet toegelicht waarom de giftenstaat nu niet klopt.
De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de giftenstaat juist is en dat er vanuit de nalatenschap dus niets meer voor giften aan eiser of gedaagde hoeft te worden voldaan.
Dit alles maakt dat de rechtbank constateert dat de executeur zijn uit de wet en het testament voortvloeiende werkzaamheden als zodanig heeft voltooid en dat zijn taak dus van rechtswege is geëindigd op grond van artikel 4:149 lid 1 sub a BW.
De rechtbank zal daarom de gevorderde verklaring voor recht dat de taak van de executeur is geëindigd toewijzen.
Anders dan gedaagde heeft aangevoerd heeft eiser er belang bij dat dit in rechte wordt vastgesteld omdat dit betrekking heeft op de rechtsverhouding tussen eiser en gedaagde in het kader van de nalatenschap en dit nu juist tussen partijen ter discussie staat.
Hoewel gedaagde er terecht op wijst dat de executeur nog geen definitieve rekening en verantwoording heeft afgelegd staat dit er niet aan in de weg dat de executeur zijn taak als executeur als zodanig heeft voltooid.
Uit artikel 4:151 BW volgt dat een executeur pas verplicht is een rekening en verantwoording af te leggen op het moment dat de bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap is geëindigd.
Het einde van de taak van de executeur brengt echter niet automatisch mee dat ook het beheer van de executeur eindigt, want de executeur zal ook het beheer moeten beëindigen.
Nu de taak van de executeur is geëindigd, brengt dit met zich dat de executeur het beheer van de nalatenschap moet beëindigen door de goederen ter beschikking van de erfgenamen te stellen (artikel 4:150 BW) en een rekening en verantwoording dient af te leggen (artikel 4:151 BW en artikel 4:161 lid 1 BW).
Zoals in de rolbeslissing is overwogen kunnen er nog vragen aan de executeur worden gesteld in het kader van de rekening en verantwoording.
Daarnaast heeft gedaagde aangegeven dat hij vanwege onbeantwoorde vragen op dit moment geen decharge aan de executeur kan verlenen.
Dat betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat de executeur een rekening en verantwoording heeft afgelegd en hij moet worden gedechargeerd van zijn werkzaamheden niet kan worden toegewezen.
Dat zal in een eventuele procedure bij de kantonrechter aan de orde moeten worden gesteld.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.