De Rechtbank Rotterdam heeft op 19 oktober 2020 uitspraak gedaan over een verzoek tot de benoeming van een vereffenaar in een nalatenschap.

Het verzoek strekt tot benoeming van een vereffenaar in de nalatenschap van erflater.

A en B hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 4:204 BW een vereffenaar benoemd moet worden.

A en B willen hun geldvorderingen ten laste van C vaststellen.

D verstrekt echter geen informatie en werkt niet mee, zodat de geldvorderingen niet vastgesteld kunnen worden.

Erfrecht. Verzoek tot de benoeming van een vereffenaar. Belang van schuldeisers. Informatieverstrekking.

De rechter oordeelt als volgt.

Erflater woonde op het moment dat hij overleed in Rotterdam.

Gelet op deze woonplaats is de rechtbank Rotterdam, op grond van artikel 268 lid 1 Rv, bevoegd om van de zaak kennis te nemen.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek op grond van artikel 4:204 lid 1 onder c BW in samenhang gelezen met artikel 4:204 lid 2 BW kan worden toegewezen en overweegt daartoe als volgt.

Op grond van artikel 4:204 lid 1 onder c BW kan op verzoek van een of meer andere schuldeisers van een erfgenaam, wanneer hun belangen door een gedraging van de erfgenamen of van de executeur ernstig worden geschaad, een vereffenaar worden benoemd.

A en B zijn schuldeisers van , want zij hebben allebei een geldvordering op haar ten laste van hun erfdeel.

Dat de geldvorderingen nog niet opeisbaar zijn, maakt het voorgaande niet anders.

Zij zijn immers nu al schuldeisers.

Naar het oordeel van de rechtbank worden de belangen van A en B ernstig geschaad door het gedrag van D.

A en B willen de omvang van deze hun geldvorderingen vaststellen, maar D werkt daaraan niet mee.

Nu het voor A en B zonder de informatie van D niet mogelijk is om zelf hun geldvorderingen vast te stellen, worden zij ernstig in hun belangen geschaad.

Het feit dat sprake is van de wettelijke verdeling staat niet aan de benoeming van een vereffenaar in de weg, want op grond van het tweede lid van artikel 4:204 BW is artikel 4:204 lid 1 onder c BW van overeenkomstige toepassing op het geheel van de goederen die hebben behoord tot de huwelijksgemeenschap van de erflater en zijn echtgenoot, de in die gemeenschap gevallen of daarop verhaalbare schulden, alsmede hetgeen daarvoor in de plaats is getreden.

Bij gebreke van verweer tegen het verzoek om een vereffenaar te benoemen, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek gelet op wat hiervoor is overwogen kan worden toegewezen op grond van artikel 4:204 lid 1 onder c BW in samenhang gelezen met artikel 4:204 lid 2 BW.

De rechtbank weegt daarbij mee dat het op dit moment onduidelijk is of er nog andere schuldeisers van de nalatenschap zijn, hetgeen eveneens een belang is om een vereffenaar te benoemen.

De vereffenaar heeft immers tot taak om de schulden van de nalatenschap te voldoen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de benoeming van een vereffenaar of van een executeur, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.