De Rechtbank Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan over de rentevergoeding over de overbedelingsvordering.
Partij B en partij C stellen dat de overbedelingsvordering en/of de testamentaire rente daarover te laat is betaald en dat zij daarom recht hebben op wettelijke rente over het te laat betaalde bedrag.
Naar het oordeel van de rechtbank is dat juist.
Tussen partijen staat vast dat partij B en partij C recht hadden op betaling door erflater van de overbedelingsvorderingen ontstaan bij het overlijden van erflaatster van (ieder) € 19.865,35.
Deze vorderingen zijn opeisbaar geworden op 8 december 2006, de datum waarop het huwelijksvermogensregime van erflater en partij A omgezet is in een gemeenschap van goederen.
Dat is tussen partij B en erflater ook vastgesteld in het vonnis van de kantonrechter van 24 juli 2024.
Partijen zijn het ook met elkaar eens dat deze vordering moest worden verhoogd met een (enkelvoudige) rente van 6% per jaar, zoals is bepaald in het testament van [erflaatster] .
Erfrecht. Tweetrapsmaking. Rente over overbedelingsvordering. Opeisbaarheid. Testamentaire rente. Wettelijke rente. Verzuim. Samenloop van rente.
De rechter oordeelt als volgt.
De rechtbank overweegt de overbedelingsvordering verhoogd met de testamentaire rente opeisbaar is vanaf het moment dat de schuldenaar is in verzuim.
Vanaf dat moment is wettelijke rente verschuldigd over het bedrag van de hoofdsom en de testamentaire rente.
Anders dan partij C stelt, is geen uiterste dag van betaling afgesproken (in de zin van artikel 6:83 sub a BW).
In het testament van erflaatster is namelijk alleen opgenomen wanneer de overbedelingsvordering en de rente opeisbaar worden, maar niet wanneer deze moet worden betaald.
In beginsel is dus pas wettelijke rente verschuldigd na ingebrekestelling en na afloop van de in de ingebrekestelling bepaalde termijn (artikel 6:82 BW).
Wel geldt, zoals partij A terecht aanvoert, dat de wettelijke rente en testamentaire rente niet allebei naast elkaar verschuldigd zijn (zoals partij B en partij C lijken te stellen).
De wettelijke rente vervangt vanaf de datum van verzuim de testamentaire rente.
Dat leidt voor partij B respectievelijk partij C concreet tot het volgende.
Aan partij B is de overbedelingsvordering van € 19.865,35 betaald op 5 juli 2024.
Anders dan uit de door partij B opgestelde boedelbeschrijving lijkt te volgen, is over dat bedrag dus geen testamentaire rente meer verschuldigd tot 19 mei 2025 omdat de overbedelingsvordering al was betaald op 5 juli 2024.
Per brief van 25 juli 2024 heeft partij B jegens partij A aanspraak gemaakt op betaling van de testamentaire rente van € 40.100,35, en een betalingstermijn gegund tot en met 1 augustus 2024.
Dat bedrag betreft – zo begrijpt de rechtbank – de testamentaire rente vanaf 1990 (datum overlijden erflaatster) tot 5 juli 2024 (betaling overbedelingsvordering).
Vanaf 2 augustus 2024 verkeerde partij A dus in verzuim.
Partij B heeft recht op een bedrag gelijk aan de wettelijke rente over € 40.100,35 vanaf 2 augustus 2024 tot 19 mei 2025 (de datum van betaling van de testamentaire rente).
Dat is een bedrag van € 2.082,02.
Op 19 mei 2025 heeft partij A een bedrag betaald van € 41.109,39.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat dat bedrag uit de verschuldigde testamentaire rente van € 40.100,35 en een deel van de verschuldigde wettelijke rente van € 1.009,04 (€ 41.109,39 minus € 40.100,35).
Partij B heeft dus nog recht op betaling van een bedrag aan wettelijke rente van € 1.072,98 (€ 2.082,02 minus € 1.009,04).
Voor partij C geldt dat zij per brief van 25 juli 2024 jegens partij A aanspraak heeft gemaakt op betaling van zowel de overbedelingsvordering van € 19.865,13 als de testamentaire rente van € 40.158,86 (in totaal: € 60.023.99) waarbij een betalingstermijn is gegund tot en met 1 augustus 2024.
Vanaf 2 augustus 2024 verkeerde partij A in verzuim.
In haar boedelbeschrijving berekent partij C de wettelijke rente vanaf 2024 (datum overlijden erflater), maar toen was nog geen sprake van verzuim en de wettelijke rente nog niet verschuldigd.
Partij C heeft dus recht op een bedrag gelijk aan de wettelijke rente over € 60.023.99 vanaf 2 augustus 2024 (datum verzuim) tot 19 mei 2025 (datum betaling).
Dat is een bedrag van € 3.116,47.
Partij B en partij C vorderen betaling van deze bedragen door partij A.
Partij B en partij C stellen ook dat hun vorderingen in de boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflater moeten worden opgenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank gaat het om een schuld van de nalatenschap van erflater.
Een schuldeiser van de nalatenschap is tijdens de vereffening in beginsel niet bevoegd om zijn vordering te verhalen op de erfgenaam die de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard (artikel 4:184 lid 2 BW) of zijn vordering op goederen van de nalatenschap ten uitvoer te leggen (artikel 4:223 lid 1 BW).
De rechtbank zal aan de veroordeling van partij A in haar hoedanigheid van erfgenaam van erflater dus de voorwaarde verbinden dat de veroordeling pas ten uitvoer kan worden gelegd als de vereffening is afgerond.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.