De Advocaat-Generaal bij het Parket bij de Hoge Raad heeft onlangs conclusie genomen over de motivering van de rechter van zijn oordeel dat een overdracht van een woning door een moeder aan één van haar kinderen onrechtmatig was geweest tegenover de andere kinderen.
In deze zaak over de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van partijen is een geschil ontstaan over de verkoop van de ouderlijke woning aan één van de dochters, verweerster.
Na het overlijden van de vader heeft de moeder de woning aan verweerster verkocht, waarbij de koopprijs door vruchtgebruik werd verminderd en het restant werd gecompenseerd via een legaat, schenking en verrekening met haar vaderlijk erfdeel, zoals geregeld in een gewijzigd testament van moeder.
Twee van de andere erfgenamen, eisers, hebben deze gang van zaken na het overlijden van de moeder ontdekt.
Zij stellen dat verweerster misbruik heeft gemaakt van de geestelijke toestand van hun moeder en dat het bewerkstelligen van de verkoop van de woning aan verweerster onrechtmatig was, nu zij wist of had moeten weten dat door de verkoop van de woning hun vaderlijke erfdelen, vermeerderd met de rente, niet konden worden betaald.
Het hof heeft, anders dan de rechtbank, geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat door de verkoop van de woning sprake is van onrechtmatig handelen door verweerster en van een voldoende causaal verband tussen dit handelen en de door eisers gestelde schade.
Eisers hebben in cassatie verschillende motiveringsklachten tegen dit oordeel gericht.
Erfrecht. Procesrecht. Motivering door rechter. Is de overdracht door moeder van een woning aan één der kinderen onrechtmatig geweest tegenover de andere kinderen?
De A-G concludeert als volgt.
Voor zover wordt geklaagd over de keuze van het hof om niet afzonderlijk de grieven te behandelen, maar de kern van het processuele debat zelf te destilleren uit de memorie van antwoord en door middel van kopjes een oordeel te geven over de door het hof vastgestelde kern van de vordering, geldt dat deze wijze van behandeling is voorbehouden aan het procesbeleid van het hof.
Ik merk daarbij op dat beide partijen in hoger beroep het oordeel van de rechtbank over de (on)rechtmatigheid van het handelen van verweerster hebben aangevochten en dat het daarom voor de hand lang om daarover eenmaal een oordeel te geven.
Het hof was daarbij niet gehouden om te expliciteren dat het met dat oordeel (tevens) grief 5 in het incidentele appel behandelde.
De keuze van het hof komt mij overigens ook begrijpelijk voor, mede gelet op de inhoud van de memorie van antwoord en de (onduidelijke) wijze waarop daarin de grieven zijn geformuleerd.
Voor zover het onderdeel meent dat hiermee een bepaalde grondslag of essentiële stelling bij het oordeel over de onrechtmatige daad van verweerster niet (toereikend) is meegenomen, gaat het eraan voorbij dat in de overwegingen van het hof die tot het oordeel hebben geleid een verwerping van alle door eisers aangevoerde stellingen besloten ligt.
Zo wijs ik erop dat in r.o. 21 en 22 is geoordeeld dat erflaatster beschikkingsbevoegd was, dat het feit dat erflaatster in 2013 haar wil niet kon bepalen door een ziekenhuisopname onder invloed van een delier of als licht dementerend werd aangemerkt, niet wil zeggen dat zij op het moment van passeren van de akte op 18 december 2014 haar wil hierover niet kon bepalen, en voor het overige is geoordeeld dat de transactie tussen erflaatster en verweerster onder normale omstandigheden tot stand is gekomen, althans onvoldoende is gesteld om vast te kunnen stellen dat dit niet het geval is geweest (stellingen sub a, c, d, en e).
Ten aanzien van de stellingen sub b en f, die in de kern aanvoeren dat de verkoop zeer nadelig was voor erflaatster, is in r.o. 22 overwogen dat met betrekking tot de prijs van het woonhuis van een fiscaal acceptabele waarde is uitgegaan, het recht op gebruik en bewoning op forfaitaire wijze is vastgesteld en op het moment van het verrichten van de rechtshandeling erflaatster ook over voldoende middelen beschikte om aan de andere kinderen haar schulden, te vermeerderen met de rente, te voldoen.
Voor zover de stellingen ingaan op de rol van de notaris geldt dat ook deze zijn verworpen gelet op het overwogene in r.o. 22 en 29.
Het hof is er immers in beginsel van uitgegaan dat de notaris zowel op de belangen van erflaatster heeft gelet als op de belangen van verweerster en de overige belanghebbenden. Het hof verwijst hier ter onderbouwing nog expliciet naar art. 17 Wet op het notarisambt en naar de door geïntimeerden overgelegde e-mailbericht van de notaris.
Wilt u de gehele conclusie bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.