De Rechtbank Rotterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over een verzoek tot de veroordeling van de langstlevende echtgenoot tot het doen van een boedelbeschrijving.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of vader gehouden is om aan de kinderen een van verificatoire bescheiden voorziene boedelbeschrijving te doen, overeenkomstig de gevorderde opgave in het petitum.

Vader betwist op zichzelf niet de gehoudenheid tot informatieverschaffing, maar bestrijdt de omvang waarin de kinderen van hem informatie verlangen.

Vader voert aan dat de kinderen hun vordering hebben ingesteld als erfgenamen die de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard en derhalve niet in hun hoedanigheid van legitimarissen, dat zij geen beroep doen op hun legitieme en zich dus evenmin beroepen op artikel 4:78 BW. Daarom zouden eventuele giften niet relevant zijn voor de kinderen.

Verzoek tot veroordeling van langstlevende echtgenoot tot het doen van een boedelbeschrijving. Recht op informatie van de niet-opeisbare vorderingen van de kinderen.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechter stelt voorop dat, ongeacht in welke hoedanigheid zij ageren, de kinderen kwalificeren als legitimarissen als bedoeld in artikel 4:63 lid 1 BW (‘afstammelingen van de erflater die door de wet als erfgenaam tot zijn nalatenschap worden geroepen’).

Vooropgesteld wordt ook dat in beginsel alle legitimarissen (zowel de legitimaris-erfgenaam, ongeacht of zuiver dan wel beneficiair is aanvaard, als de legitimaris-niet erfgenaam) recht hebben op het verkrijgen van informatie die voor de bepaling van hun erfrechtelijke posities van belang zijn.

Hiervoor kent de wet afzonderlijke bepalingen.

Erfgenamen dienen zich op grond van het bepaalde in artikel 3:166 lid 3 BW jo. 6:2 BW overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid jegens elkaar te gedragen en zijn jegens elkaar gehouden tot het verstrekken van alle gegevens die voor de bepaling van hun erfrechtelijke posities van belang zijn. Artikel 4:16 lid 4 BW luidt:

“De echtgenoot en ieder kind hebben jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers, die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven. De daartoe strekkende inlichtingen worden door hen des verzocht verstrekt. Zij zijn jegens elkaar gehouden tot medewerking aan de verstrekking van inlichtingen door derden.

Ook heeft iedere deelgenoot/erfgenaam ingevolge artikel 3:194 BW het recht om voorafgaand aan de verdeling een boedelbeschrijving te vorderen.

De rechter constateert dat vader weliswaar een ‘voorlopige boedelbeschrijving’ heeft overgelegd, maar dat deze niet toereikend is.

De boedelbeschrijving is uiterst summier en ook in samenhang bezien met de overgelegde stukken kan hieruit geen getrouw beeld van de boedel van erflaatster worden verkregen.

De kinderen hebben daarom recht op aanvullende informatie.

Aan het verweer dat de kinderen vanwege hun beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap geen belang hebben bij informatieverstrekking over giften gaat de rechter voorbij, reeds omdat uit het systeem der wet (artikelen 4:63 jo. 4:71 BW) volgt dat ook na een beneficiaire aanvaarding nog een beroep op de legitieme kan worden gedaan (in welk verband de legitimaris giften kan inkorten voor zover deze afbreuk doen aan zijn legitieme portie).

Beneficiaire aanvaarding sluit niet automatisch een beroep op de legitieme portie uit.

Het recht op inzage en informatieverschaffing is van belang om de hoogte van de niet-opeisbare vorderingen van de kinderen op de langstlevende ouder vast te kunnen stellen en geldt onverlet, ook ingeval beneficiair wordt aanvaard.

Evenmin slaagt het verweer dat door de kinderen niet is gesteld dat er giften of onrechtmatige onttrekkingen in het verleden hebben plaatsgehad.

De boedelbeschrijving dient er nu juist toe om dit in voorkomende gevallen te kunnen constateren.

Ingevolge vaste jurisprudentie strekt de informatievoorziening waarop de kinderen recht hebben zich uit tot ‘alle bescheiden die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie’.

De rechter ziet geen reden om de door de kinderen gevorderde lijst met bescheiden te beperken, nu inzicht in deze stukken noodzakelijk is om de positie te kunnen bepalen.

Evenmin bestaat grond om de periode waarover informatie moet worden verschaft te beperken tot de periode rond het overlijden van erflaatster, nu de periode waarover informatie wordt opgevraagd de rechtbank niet onredelijk voorkomt en in aanmerking genomen dat de wet in artikel 4:67 e.v. BW een termijn hanteert van vijf jaar vóór het overlijden van de erflater bij giften die voor de berekening van de legitieme vordering in aanmerking moeten worden genomen.

De rechter zal de vordering tot het afgeven van een boedelbeschrijving voorzien van verificatoire bescheiden dan ook toewijzen voor zover deze bescheiden nog niet door vader aan de kinderen zijn verstrekt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de verplichting tot het opmaken van een boedelbeschrijving, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.