Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs uitspraak gedaan over een machtiging van de rechter tot het uitkeren van het wettelijk erfdeel, ook wel het kindsdeel genoemd.

In de beschikking heeft het hof in het tussenvonnis de bewindvoerder toegelaten te bewijzen dat het de bedoeling was van de echtgenoot van de rechthebbende om de erfdelen ook te laten uitkeren ingeval zijn echtgenote ter voorziening in de kosten van verzorging en verpleging aanspraak maakt op een voorziening van overheidswege waarvoor een vermogenstoets wordt gehanteerd.

Dit aangezien het testament van voornoemde echtgenoot van de rechthebbende geen direct aanknopingspunt biedt voor de lezing van de bewindvoerder dat de erflater, in weerwil van de bewoordingen van het testament (inhoudende dat de vorderingen van de kinderen opeisbaar zijn ingeval zijn echtgenote ter voorziening in haar levensonderhoud aanspraak maakt op een voorziening van overheidswege waarvoor een vermogenstoets wordt gehanteerd), de bedoeling had die opeisbaarheid ook te laten gelden ingeval zijn echtgenote ter voorziening in de kosten van verzorging en verpleging aanspraak maakt op een voorziening van overheidswege waarvoor een vermogenstoets wordt gehanteerd hetgeen, naar is aangevoerd sinds 1 januari 2013 het geval is bij zorg zoals deze door de rechthebbende in het verzorgingstehuis wordt genoten, waardoor de rechthebbende maandelijks een eigen bijdrage dient te voldoen die is gebaseerd op haar vermogen.

Het hof heeft de bewindvoerder toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:46 lid 1 Burgerlijk Wetboek waaruit de juistheid van zijn lezing volgt.

De bewindvoerder heeft aangevoerd dat hij middels het overleggen van de verklaringen voldoende bewijs meent te hebben geleverd van zijn stelling dat het de bedoeling was van de echtgenoot van de rechthebbende om de erfdelen ook te laten uitkeren ingeval zijn echtgenote ter voorziening in de kosten van verzorging en verpleging aanspraak maakt op een voorziening van overheidswege waarvoor een vermogenstoets wordt overgelegd.

De echtgenoot van de rechthebbende zou gewild hebben dat de erfdelen van zijn kinderen uitgekeerd zouden worden na zijn overlijden, en niet dat door zijn overlijden zijn nalatenschap vrijwel volledig opgesoupeerd zou worden door de overheid als gevolg van het feit dat de rechthebbende gebruik maakt van een voorziening in de kosten van verzorging en verpleging, hetgeen voor de echtgenoot van de rechthebbende kon worden gelijkgesteld aan een voorziening in de kosten van levensonderhoud.

De bewindvoerder heeft het hof derhalve verzocht een machtiging te verlenen aan de bewindvoerder tot het mogen uitkeren van de erfdelen groot € 52.617,- aan ieder kind, dan wel een nader door het hof te bepalen bedrag, zoals verzocht bij verzoekschrift in eerste aanleg.

Het hof heeft een getuigenverhoor gelast teneinde te kunnen beoordelen of de in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen als voldoende overtuigend kunnen worden beschouwd. Uit de schriftelijke verklaring van de getuige B is namelijk op te maken dat het testament aan het sterfbed van de echtgenoot van de rechthebbende tot stand is gekomen, te weten 4 augustus 2009, terwijl betrokkene veel later, op 15 april 2012, is overleden.

De bewindvoerder heeft als partijgetuige onder meer verklaard dat zijn vader na het ondertekenen van het testament in het ziekenhuis nog bijna drie jaar heeft geleefd.

Machtiging tot het uitkeren van het wettelijk erfdeel

Het hof oordeelt als volgt. De echtgenoot van de rechthebbende heeft zijn uiterste wil in zijn testament van 4 augustus 2009 laten vastleggen. Hij heeft zijn echtgenote en kinderen tot zijn enige erfgenamen benoemd en bepaald dat alle tot zijn nalatenschap behorende goederen door zijn echtgenote worden verkregen en dat ieder van zijn overige erfgenamen een geldvordering ten laste van zijn echtgenote verkrijgt ter grootte van de waarde van zijn erfdeel. Voor deze verdeling geldt volgens het testament, in afwijking van het dienaangaande in de wet bepaalde, dat de vorderingen van de kinderen onder meer opeisbaar zijn ingeval de echtgenote ter voorziening in haar levensonderhoud aanspraak maakt op een voorziening van overheidswege waarvoor een vermogenstoets wordt gehanteerd.

Wat betreft de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen volgt zowel uit de door C en B afgelegde getuigenverklaringen als uit schriftelijke verklaringen dat de echtgenoot van de rechthebbende alles voor de rechthebbende goed wilde achterlaten, dat hij een broertje dood had aan belasting betalen, dat hij van mening was dat je niet op je eigen vermogen moet interen als er andere voorzieningen zijn, dat het aanwezige vermogen in de familie moest blijven, in het bijzonder bij de rechthebbende, dat het zeker niet de bedoeling was dat er geld naar de overheid zou gaan en dat als “je je eigen vermogen (moet) opvreten (…) het naar de familie” moet.

Tot de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval te rekenen de uit voornoemde verklaringen volgende omstandigheid dat de echtgenoot van de rechthebbende zijn testament destijds heeft gemaakt op het moment dat de rechthebbende reeds ruim drie jaar was opgenomen in een verzorgingstehuis zonder het vooruitzicht weer naar huis terug te kunnen keren. Ter mondelinge behandeling van het hof is toegelicht dat de echtgenoot van de rechthebbende haar de eerste jaren van haar ziekte thuis heeft verzorgd. Doordat haar lichamelijke situatie steeds verder achteruitging werd zij na verloop van tijd volledig afhankelijk van zorg. Sinds 2005 verblijft zij dan ook volledig in het verzorgingstehuis.

Op grond van hetgeen in hoger beroep naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de uiterste wil van de echtgenoot van de rechthebbende, gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, beoogt te bewerkstelligen dat de vorderingen van de kinderen ook opeisbaar zijn ingeval de rechthebbende ter voorziening in de kosten van verzorging en verpleging, en derhalve anders dan het testament vermeldt: “ter voorziening in haar levensonderhoud” – aanspraak maakt op een voorziening van overheidswege waarvoor een vermogenstoets wordt gehanteerd.

In dit verband acht het hof van belang dat, zoals C heeft verklaard, bij het opmaken van het testament van een standaardmodel van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie gebruik is gemaakt en dat de desbetreffende bepaling inmiddels is aangepast in die zin dat kindsdelen opeisbaar worden als inkomenstoetsen en vermogenstoetsen worden gehanteerd.

Met betrekking tot de getuigenverklaring van B overweegt het hof nog dat deze, anders dan zijn schriftelijke verklaring aansluit bij de vaststaande feiten, inhoudende dat het testament van de echtgenoot van de rechthebbende op 4 augustus 2009 en dus niet aan het sterfbed van de echtgenoot van de rechthebbende, die pas op 15 april 2012 is overleden, tot stand is gekomen. De partijgetuigenverklaring van de bewindvoerder, inhoudende dat zijn vader na het ondertekenen van het testament in het ziekenhuis nog bijna drie jaar heeft geleefd, wordt gelet op het voorgaande in voldoende sterke mate en op de essentiële punten ondersteund door de verklaring van B.

Tot slot volgt uit de door de bewindvoerder ter mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde bankafschriften dat de rechthebbende thans beschikt over een vermogen van ongeveer € 169.000,-. Op grond van het verhandelde ter mondelinge behandeling is de rechthebbende, naar het oordeel van het hof, ook na uitkering van de erfdelen van de kinderen, nog voldoende in staat om in haar levensonderhoud te voorzien.

Heeft u vragen over het kindsdeel in een erfenis of over een machtiging van de rechter tot het uitkeren van het kindsdeel of over de uitleg van een testament, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis? Bezoek dan onze pagina verdeling erfenis. Klik dan hier.