Ouderlijke boedelverdeling ex artikel 4:1167 (oud) BW met recht van vruchtgebruik ten laste van erfgenaam. Erfgenaam maakt aanspraak op zijn erfdeel in contanten omdat aan de voorwaarde voor het eindigen van het vruchtgebruik is voldaan.
Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 19 september 2017 uitspraak gedaan over de ouderlijke boedelverdeling van artikel 4:1167 (oud) BW met recht van vruchtgebruik ten laste van de vordering van de erfgenaam. De erfgenaam maakt aanspraak op zijn erfdeel in contanten omdat aan de voorwaarde voor het eindigen van het vruchtgebruik (vruchtgebruiker hertrouwt zonder het stellen van zekerheid) is voldaan.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
Geïntimeerde is de zoon en enig afstammeling van erflaatster, die in 2008 is overleden (hierna: erflaatster). Appellant was ten tijde van het overlijden van erflaatster met haar gehuwd.
Voorafgaande aan hun huwelijk waren appellant en erflaatster huwelijkse voorwaarden overeengekomen, die zijn vastgelegd in een notariële akte d.d. 25 maart 1976. De huwelijkse voorwaarden houden kort gezegd in: een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en een verrekenbeding.
Erflaatster heeft bij notariële akte d.d. 28 september 1993 een testament laten opmaken. Dat testament bevat de volgende bepalingen:
- Voor het geval ik voor mijn echtgenoot de heer mocht komen te overlijden beschik ik als volgt:
- Gebruikmakend van de mij bij artikel 4:1167 van het Burgerlijk Wetboek verleende bevoegdheid wens ik, bij deze tussen mijn genoemde echtgenoot en mijn afstammelingen de scheiding en verdeling van mij nalatenschap tot stand te brengen als volgt:
Ik deel toe:
- aan mijn genoemde echtgenoot: alle tot mijn nalatenschap behorende activa, onder de verplichting wegens de daardoor plaatshebbende overbedeling:
- als eigen schulden te voldoen: alle tot mijn nalatenschap behorende passiva, alsmede kosten van mijn lijkbezorging en boedelkosten en de successierechten;
en b. in kontanten uit te keren aan ieder van mijn afstammelingen de waarde van zijn zuiver erfdeel, berekend in het saldo van mijn nalatenschap, en na aftrek van zijn aandeel in de boedelkosten en van het te zijnen laste over zijn erfdeel te heffen successierecht;
- aan ieder van mijn afstammelingen: de als sub 1b gemeld ten laste van mijn genoemde echtgenoot gebrachte vordering in contanten wegens de aan hem gedane overbedeling.
(….)
- Ter voldoening aan mijn zedelijke verplichting tot verzorging van mijn genoemde echtgenoot legateer ik aan hem het levenslang recht van vruchtgebruik van de hiervoor sub II.A. bedoelde, aan mijn afstammelingen toebedeelde vorderingen wegens overbedeling (…), zulks onder vrijstelling van de verplichting tot zekerheidsstelling; welke vrijstelling echter zal vervallen bij zijn hertrouwen; en welk vruchtgebruik buiten het geval van overlijden van de vruchtgebruiker voorts zal eindigen bij gebreke van bedoelde zekerheidsstelling uiterlijk daags voor zijn hertrouwen (….).
Appellant is op 13 januari 2012 hertrouwd.
Geïntimeerde stelt zich in de onderhavige procedure op het standpunt dat appellant vóór
diens hertrouwen geen zekerheid heeft gesteld zoals omschreven in het testament van erflaatster onder II sub C zodat hij jegens appellant aanspraak kan maken op zijn aandeel in de nalatenschap van erflaatster. Hij vorderde in eerste aanleg de veroordeling van appellant tot betaling van primair een bedrag van € 143.146,- dan wel subsidiair een bedrag van € 67.646,- met rente en kosten.
De advocaat van appellant heeft op verschillende gronden betoogd dat hij niets aan geïntimeerde verschuldigd is. Hij heeft zich er onder meer op beroepen dat geïntimeerde tegenover hem heeft verklaard dat hij, geïntimeerde, zijn aandeel in de nalatenschap van erflaatster niet zou opeisen.
De rechtbank heeft appellant bij tussenvonnis van 14 januari 2015 toegelaten tot het bewijs van laatstgenoemde stelling.
Bij tussenvonnis van 30 september 2015 heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat appellant niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd.
Ook de overige weren van appellant tegen de vordering van geïntimeerde zijn door de rechtbank verworpen, behoudens (deels) voor zover deze betrekking hadden op de hoogte van het gevorderde bedrag. In het eindvonnis van 16 maart 2016 heeft de rechtbank de (primaire) vordering van geïntimeerde toegewezen tot een bedrag van € 80.646,- met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 februari 2013. De rechtbank heeft voorts appellant in de proceskosten veroordeeld.
Appellant kan zich niet verenigen met de tussenvonnissen van de rechtbank van 14 januari 2015 en 19 september 2015 en met het eindvonnis van 16 maart 2016. Hij heeft 7 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de genoemde vonnissen en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van geïntimeerde.
Geïntimeerde heeft in incidenteel appel één grief tegen het eindvonnis van de rechtbank aangevoerd en – in samenhang daarmee – zijn eis gewijzigd. Hij vordert in hoger beroep dat het hof het eindvonnis van de rechtbank zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de door appellant te betalen hoofdsom en – opnieuw rechtdoende – appellant zal veroordelen tot betaling aan geïntimeerde van een hoofdsom van € 132.646,-.
Het hof zal de grieven hierna achtereenvolgens beoordelen, met dien verstande dat het hof allereerst de meest vergaande stelling van appellant zal beoordelen, inhoudende dat geïntimeerde tegenover hem afstand heeft gedaan van zijn aandeel in de nalatenschap van erflaatster. De tweede grief van appellant heeft hierop betrekking.
Afstand van erfdeel? Bewijsoverwegingen.
Die tweede grief komt erop neer dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat appellant er niet in is geslaagd te bewijzen dat geïntimeerde tegenover hem heeft verklaard dat hij, geïntimeerde, zijn aandeel in de nalatenschap van erflaatster niet zou opeisen.
Naar het oordeel van het hof faalt deze grief. De door appellant te bewijzen feiten zijn weliswaar door hemzelf als partijgetuige bevestigd, maar ingevolge artikel 164 lid 2 Rv kan deze verklaring geen bewijs in zijn voordeel opleveren tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Hiervan is alleen sprake als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken. Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat van dergelijk onvolledig bewijs geen sprake is. De verklaring van de getuige (de vrouw met wie appellant na het overlijden van erflaatster was hertrouwd maar van wie hij inmiddels weer is gescheiden) kan in ieder geval niet als zodanig gelden. Niet alleen is die verklaring op een essentieel onderdeel strijdig met de verklaring van appellant zelf (volgens appellant zou geïntimeerde afstand van zijn erfdeel hebben gedaan tijdens een etentje in 2011; volgens getuige is er in 2011 geen etentje met geïntimeerde geweest en heeft geïntimeerde afstand van zijn erfdeel gedaan tijdens een telefoongesprek met appellant in 2011) maar bovendien heeft de getuige omtrent die afstand niets uit eigen waarneming kunnen verklaren; zij heeft slechts kunnen weergeven wat appellant haar had verteld.
Zekerheidstelling van het erfdeel
Nu vast staat dat appellant géén zekerheid heeft gesteld als bedoeld in artikel II sub C van het testament van erflaatster voordat hij hertrouwde, de vordering van geïntimeerde op appellant ter zake van zijn aandeel in de nalatenschap van erflaatster opeisbaar is geworden, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.
De grief van appellant houdt in dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat het erfdeel van geïntimeerde een vaste waarde heeft en niet verbruikt mag c.q. mocht worden.
Volgens appellant was hij gerechtigd in te teren op het aandeel van geïntimeerde in de nalatenschap van erflaatster en is dat aandeel inmiddels verteerd zodat hij niets verschuldigd is aan geïntimeerde.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
De ouderlijke boedelverdeling
Het testament van erflaatster bevat een ouderlijke boedelverdeling als bedoeld in artikel 4:1167 (oud) BW, waarbij – kort gezegd – aan appellant alle activa zijn toegedeeld en aan geïntimeerde een geldvordering op appellant ter grootte van de waarde van zijn erfdeel en waarbij aan appellant het vruchtgebruik van de hier bedoelde geldvordering van geïntimeerde is gelegateerd.
Dat vruchtgebruik is geëindigd doordat appellant na het overlijden van erflaatster is hertrouwd.
Anders dan appellant meent brengt het bepaalde in artikel 3:207 BW niet mee dat de geldvordering van geïntimeerde ophoudt te bestaan indien en voor zover appellant (de activa van) de nalatenschap van erflaatster heeft opgesoupeerd. De aard van het aan geïntimeerde toegekende vorderingsrecht brengt niet mee dat dit vermogensbestanddeel door appellant mag worden verbruikt. Evenmin is aan de inhoud van het testament te ontlenen dat een dergelijk verbruiksrecht aan appellant is toegekend. Het voorgaande betekent dat de grief van appellant faalt.
.Met zijn derde grief komt appellant op tegen het oordeel van de rechtbank dat appellant niet meer dan € 5.000,- aan geïntimeerde heeft betaald in mindering op diens aandeel in de nalatenschap van erflaatster. Volgens appellant heeft hij – buiten het bedrag van € 5.000,- ook nog een bedrag van € 25.000,- aan geïntimeerde betaald in mindering op diens erfdeel. Geïntimeerde heeft de ontvangst van het bedrag van € 25.000,- betwist.
Naar het oordeel van het hof faalt deze grief van appellant. Toereikend bewijs dat hij aan geïntimeerde voormeld bedrag van € 25.000,- heeft betaald ontbreekt. Het enkele feit dat appellant op 25 juni 2010 een bedrag van € 25.000,- van zijn bankrekening heeft opgenomen kan niet als toereikend bewijs worden aangemerkt omdat uit deze productie niet blijkt dat het opgenomen geld ten goede is gekomen aan geïntimeerde.
Aanvullend bewijs ontbreekt, evenals een concreet bewijsaanbod op dit punt, zodat het standpunt van appellant omtrent de betalingen aan geïntimeerde niet kan worden aanvaard.
Grief 4 van appellant houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het huwelijksgoederenregime van appellant en erflaatster tijdens hun huwelijk ongewijzigd is gebleven. Volgens [appellant] is dat regime tijdens het huwelijk wél gewijzigd en is tussen hem en erflaatster een gemeenschap van goederen gaan gelden.
Ter onderbouwing van deze stelling voert appellant aan dat erflaatster en hij feitelijk hebben geleefd alsof ze in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Verder voert hij aan dat erflaatster en hij in 2007 een woning in Duitsland hebben gekocht en in de leveringsakte bij de Duitse notaris hebben laten opnemen dat ze in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Hij heeft er ook nog op gewezen dat in de successieaangifte die geïntimeerde en hij na het overlijden van erflaatster hebben ingediend, staat vermeld dat hij met erflaatster in gemeenschap van goederen was gehuwd.
Geïntimeerde heeft bestreden dat van een wijziging van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk van appellant en erflaatster sprake is geweest. Naar het oordeel van het hof faalt deze grief van appellant.
Ten tijde van het huwelijk van appellant en erflaatster was voor een wijziging van huwelijkse voorwaarden niet alleen een notariële wijzigingsakte vereist, maar ook de goedkeuring van de rechtbank (artikel 1:119 (oud) BW, dat gold tot 1 januari 2012). Vast staat dat aan die vereisten niet is voldaan.
De door appellant genoemde feiten en omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat van een wijzing van huwelijkse voorwaarden in de door appellant bedoelde zin sprake is geweest.
De berekening van de waarde van het erfdeel
De grieven 5 en 6 van appellant hebben betrekking op de berekening van het aandeel van geïntimeerde in de nalatenschap van erflaatster. Ook de incidentele grief van geïntimeerde heeft hierop betrekking.
De geschilpunten tussen partijen betreffen het aandeel van geïntimeerde in de waarde van de woning, alsmede diens aandeel in het ten tijde van het openvallen van de nalatenschap aanwezige spaartegoed en in de waarde van de inboedelgoederen.
De rechtbank heeft overwogen dat met betrekking tot de woning in sprake is van een beperkte gemeenschap in die zin dat appellant en erflaatster ieder voor de helft eigenaar waren en dat geïntimeerde, nu partijen het eens zijn over een waarde van de woning van € 250.000,-, recht heeft op de helft van de waarde van het aandeel van erflaatster in de woning, dit is de helft van € 125.000,-, dus € 62.500,-.
Met betrekking tot het spaartegoed en de inboedelgoederen heeft de rechtbank overwogen dat ieder recht heeft op de helft van het spaartegoed ten bedrage van € 50.000,- en op de helft van de waarde van de inboedelgoederen ten bedrage van € 5.000,-.
Wat betreft de woning in is ook in hoger beroep niet in geschil dat deze gemeenschappelijk eigendom was van appellant en erflaatster en dat de waarde ten tijde van het overlijden van erflaatster € 250.000,- bedroeg. Geïntimeerde stelt echter dat de aankoop van de woning in 2007 volledig is gefinancierd met privégeld van erflaatster, namelijk met de opbrengst van de (in 2007 verkochte) woning, welke woning eigendom was van erflaatster. Hij stelt in hoger beroep dat er, gelet op deze omstandigheid, sprake is van een vergoedingsrecht van erflaatster op appellant ten bedrage van de helft van de aankoopsom van de woning in [plaats 1] , dit is de helft van € 212.000,- = € 106.000,-.
De advocaat van appellant heeft dit standpunt bestreden. Hij stelt dat de woning weliswaar (uitsluitend) op naam van erflaatster was gesteld, maar dat hij de financiering van de aankoop voor zijn rekening heeft genomen doordat de hypothecaire lening ten behoeve van de aankoop op zijn naam was gesteld en (mede) door hem is afgelost.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de gemotiveerde betwisting van appellant, en mede gelet op het verrekenbeding dat appellant en erflaatster waren overeengekomen, het standpunt van geïntimeerde dat de aankoop van de woning volledig met privégeld van erflaatster is betaald, niet worden aanvaard. Bewijs voor die stelling ontbreekt, evenals een bewijsaanbod op dit punt.
Dit betekent dat de incidentele grief van geïntimeerde in zoverre faalt en dat zijn vergoedingsaanspraak niet kan worden gehonoreerd.
Wat betreft het spaartegoed zijn partijen het oneens over de eigendom ten tijde van het overlijden van erflaatster. Volgens appellant komt het spaartegoed aan erflaatster en hem ieder voor de helft toe. Volgens geïntimeerde was het spaartegoed volledig eigendom van erflaatster aangezien het hier gaat om een deel van de verkoopopbrengst van de woning die uitsluitend op naam van erflaatster was gesteld.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat de stelling van geïntimeerde dat de verkoopopbrengst van de woning in als privégeld van erflaatster moet worden aangemerkt niet zonder meer kan worden aanvaard. Daar komt bij dat in de successieaangifte waarmee geïntimeerde zich akkoord heeft verklaard, is vermeld dat het spaartegoed voor de helft in de nalatenschap van erflaatster valt.
Nu toereikend bewijs ontbreekt dat het spaartegoed volledig eigendom was van erflaatster en bij gebreke van een concreet bewijsaanbod op dit punt gaat het hof ervan uit – dit met analoge toepassing van artikel 1:131 BW – dat het spaartegoed gemeenschappelijk eigendom van appellant en erflaatster was, zodat de helft, zijnde € 25.000,- in de nalatenschap van erflaatster valt.
De geïntimeerde heeft recht op de helft daarvan, dit is € 12.500,-.
Wat betreft de inboedelgoederen zijn partijen het erover eens dat deze gemeenschappelijk eigendom waren van appellant en erflaatster.
De advocaat van appellant stelt dat de waarde op de sterfdatum van erflaatster € 5.000,- bedroeg en dat het aandeel van geïntimeerde als erfgenaam daarin ¼ deel, dus € 1.250,- bedraagt. Geïntimeerde stelt, onder verwijzing naar de successieaangifte, dat de waarde van de inboedelgoederen ten tijde van het overlijden van erflaatster € 10.000,- bedroeg zodat de beslissing van de rechtbank dat geïntimeerde ten aanzien van de inboedelgoederen recht heeft op € 2.500,- juist is.
Het hof overweegt hieromtrent dat in de successieaangifte de inboedelgoederen zijn gewaardeerd op € 10.000,- (€ 6.000,- voor voertuigen en € 4.000,- voor meubilair en huisraad). Dat deze waardering (waarmee appellant zich bij de aangifte akkoord heeft verklaard) onjuist zou zijn is door appellant niet onderbouwd.
Het hof gaat er om die reden van uit dat de waarde van de inboedelgoederen ten tijde van het overlijden van erflaatster € 10.000,- bedroeg en dat het aandeel van geïntimeerde in die waarde moet worden berekend op € 2.500,-.
Het voorgaande brengt mee dat op het door de rechtbank berekende bedrag waarop geïntimeerde als erfgenaam jegens appellant aanspraak kan maken, een bedrag van € 12.500,- in mindering moet worden gebracht zodat een bedrag resteert van € 80.646,- minus € 12.500,- = € 68.146,-.
Voor het overige dienen de door de rechtbank genomen beslissingen te worden bekrachtigd.
De rechtbank heeft appellant terecht, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten veroordeeld. Ook in hoger beroep zal appellant, op dezelfde grond, worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel. Geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel nu hij in dat appel in het ongelijk is gesteld.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u vragen over de ouderlijke boedelverdeling, het opvragen van het erfdeel of het kindsdeel, over de waardering van het kindsdeel in een erfenis of over het vruchtgebruik van een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150