Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 28 november 2017 uitspraak gedaan over de vraag of erflaatster met Alzheimerdementie ten tijde van het opstellen en verlijden van haar testament in staat was haar wil te bepalen. Voldaan aan de stelplicht van de jongste zoon die stelt dat dit niet het geval was. Bewijsaanbod.

Het gaat in deze zaak om het volgende. Partijen zijn de kinderen van moeder (erflaatster), geboren in 1925 en overleden in 2013. Zij zijn de enige erfgenamen in haar nalatenschap. De echtgenoot van erflaatster is voor-overleden. Erflaatster heeft bij brief van 8 oktober 2011 de op 3 juni 2010 door haar aan de jongste zoon verstrekte notarieel verleden algehele volmacht ingetrokken. Voorts heeft erflaatster bij testament van 6 januari 2012 haar eerdere testament van 18 oktober 2002 herroepen.

Het gevolg van deze herroeping is dat de jongste zoon niet langer tot executeur is benoemd en dat hem de last wordt opgelegd in te brengen in de nalatenschap van erflaatster en te verrekenen met zijn erfdeel, het bedrag in geld dat hij gedurende haar leven aan haar vermogen heeft onttrokken, ongeacht de titel waaronder dat is gebeurd. Tevens is in het laatste testament van erflaatster bepaald dat in het geval de oudste zoon vóór erflaatster is of zal zijn overleden, zijn gedeelte uit de nalatenschap zal worden verkregen door zijn huidige echtgenote in plaats van dat de wettelijke regels van plaatsvervulling en aanwas van toepassing zijn, waarbij plaatsvervulling zal gaan voor aanwas.

 In de kern is aan de orde of erflaatster ten tijde van het opstellen en verlijden van het testament van 6 januari 2012 in staat was haar wil te bepalen en of dit testament derhalve al dan niet rechtsgeldig is en effect kan sorteren.

De jongste zoon is van mening dat erflaatster op het moment van het opstellen en verlijden van haar laatste testament vanwege haar Alzheimerdementie niet meer in staat was haar wil te bepalen zodat voormeld testament nietig is. Volgens de jongste zoon is het testament van erflaatster gewijzigd onder de invloedssfeer van de oudste zoon.

Geïntimeerden stellen zich op het standpunt dat erflaatster zeer wel in staat was haar wil te bepalen en haar testament overeenkomstig die wil te wijzigen, zodat aan de bepalingen van het laatst gemaakte testament uitvoering moet worden gegeven. Daarnaast heeft de jongste zoon volgens geïntimeerden onrechtmatig jegens erflaatster gehandeld door bedragen aan haar vermogen te onttrekken.

 Was erflaatster met Alzheimerdementie ten tijde van het opstellen en verlijden van haar testament in staat haar wil te bepalen? Voldaan aan de stelplicht van de jongste zoon die stelt dat dit niet het geval was. Bewijsaanbod.

Het hof overweegt dat de stelplicht en bewijslast van de stelling dat erflaatster niet in staat was haar wil te bepalen in dezen rust op de jongste zoon. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat de jongste zoon genoegzaam heeft voldaan aan zijn stelplicht door voldoende onderbouwde (medische) verklaringen en bescheiden in het geding te brengen die zijn stelling ondersteunen.

Hij heeft zich daartoe onder meer beroepen op de door hem overgelegde brieven van de geriater, een tweetal indicatiebesluiten alsmede de waarnemingen van de kantonrechter op 12 april 2012 – derhalve kort na het verlijden van het testament van 6 januari 2012 – die hebben geleid tot een onderbewindstelling van de goederen van erflaatster.

Het hof begrijpt voorts uit de grief en de toelichting daarop in samenhang bezien met het bewijsaanbod van de jongste zoon in eerste aanleg en in hoger beroep aldus dat de jongste zoon bewijs aanbiedt dat erflaatster ten tijde van het opstellen en verlijden van het testament van 6 januari 2012 als gevolg van haar Alzheimerdementie niet meer in staat was haar wil te bepalen. Dit bewijsaanbod is voldoende specifiek en ter zake dienend. In dit verband heeft de jongste zoon bewijs aangeboden in het bijzonder of bijvoorbeeld door het doen horen van de klinisch geriater.

Nu de jongste zoon heeft voldaan aan zijn stelplicht en een naar het oordeel van het hof in samenhang bezien voldoende specifiek en ter zake dienend bewijsaanbod heeft gedaan, zal het hof de jongste zoon toelaten tot dit bewijs. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Het hof laat de jongste zoon toe tot het leveren van bewijs dat erflaatster ten tijde van het opstellen en verlijden van het testament van 6 januari 2012 als gevolg van haar Alzheimerdementie niet meer in staat was haar wil te bepalen. Het getuigenverhoor zal plaatsvinden ten overstaan van de raadsheer-commissaris.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het kindsdeel in een erfenis, over de legitieme, over de nietigheid van een testament of over de wilsbekwaamheid van de erflater tijdens het opstellen van het testament, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.