Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 29 mei 2018 uitspraak gedaan over de vraag of de zoon, die het feitelijk beheer had gevoerd over het vermogen van de erflater voor diens overlijden, verplicht was tot het afleggen van rekening en verantwoording over het gevoerde beheer.
De appellant stelt zich in de onderhavige procedure op het standpunt dat de andere zoon, tevens erfgenaam, gehouden is rekening en verantwoording af te leggen met betrekking tot het beheer van het vermogen van moeder vanaf het overlijden van vader in 1976.
De rechtbank heeft dit standpunt verworpen na te hebben overwogen, kort gezegd, dat de zoon geen algehele volmacht had om het vermogen van moeder te beheren, dat appellant onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat moeder niet in staat was om zelf haar belangen te behartigen en dat de zoon, voor zover hij betrokken is geweest bij het beheer van het vermogen van moeder, daarvoor aan moeder verantwoording verschuldigd was, evenals ten aanzien van de door hem over het jaar 2005 ontvangen huur met betrekking tot de woning.
Appellant kan zich met deze beslissing niet verenigen. Hij stelt dat moeder niet in staat was, vanwege gebrek aan kennis en ervaring op dit punt, om na het overlijden van vader het aan haar nagelaten vermogen, met name bestaande uit een groot aantal beleggingspanden, zelf te beheren en dat daarom was afgesproken dat de zoon dat beheer zou voeren. Volgens appellant heeft de zoon vervolgens feitelijk het beheer gevoerd.
Volgens appellant was moeder ook om psychische redenen niet in staat om het beheer over haar vermogen zelf te voeren: zij werd door de zoon onder druk gezet en was niet tegen die druk opgewassen. Verder stond zij vanaf 1996 in verband met psychische problemen in contact met de afdeling ouderenpsychiatrie van het Riagg en is zij in januari 2003 opgenomen in een gesloten kliniek nadat de diagnose vasculaire dementie was vastgesteld.
Appellant blijft erbij dat de zoon over de volledige periode vanaf 1976 rekening en verantwoording moet afleggen met betrekking tot het beheer van het vermogen van moeder.
Feitelijk beheer gevoerd over vermogen van erflater voor het overlijden. Afleggen van rekening en verantwoording?
De rechter overweegt hieromtrent het volgende.
Niet in geschil is dat de zoon, na het overlijden van de vader van partijen, nauw betrokken is geweest bij het beheer van het vermogen van moeder. In zijn inleidende dagvaarding stelt de zoon dat hij sinds het overlijden van vader het beheer over het vermogen van moeder voerde, maar later in de procedure nuanceert hij dit en stelt hij dat hij moeder ondersteuning verleende bij het beheer van haar vermogen.
Vast staat dat de zoon gevolmachtigd was met betrekking tot de bankrekening van moeder bij de bank. Deze betaalrekening heeft enige tijd (mede) gefungeerd als effectenrekening. In het laatste jaar vóór het overlijden van moeder is de hier bedoelde rekening omgezet in een en/of rekening ten name van moeder en de zoon.
Verder staat vast, dat de zoon fungeerde als contactpersoon voor makelaars en notarissen als het ging om het beheer van de beleggingspanden. Dit vindt onder meer bevestiging in de schriftelijke verklaring van de makelaar die in de periode 1976 – 1999 het beheer van de verhuurde panden verzorgde.
Voorts staat vast dat moeder vanaf 1996 kampte met psychische problemen en in de maanden januari tot en met april 2003 opgenomen is geweest op een gesloten afdeling ouderenpsychiatrie, waarbij de diagnose “vasculaire dementie met overzichtsverlies” werd gesteld.
Het voorgaande neemt niet weg dat voor een ruime verantwoordingsplicht zoals appellant die verlangt, geen grond bestaat, dit gelet op het volgende:
– door moeder is geen algehele volmacht aan de zoon verstrekt om haar in alle zaken bettreffende het beheer van haar vermogen te vertegenwoordigen;
– een deel van het beheer, namelijk de verhuur van de beleggingspanden, was in handen gegeven van een makelaar;
– de zoon is een tweetal perioden afwezig geweest wegens verblijf in het buitenland, namelijk van 1979 tot en met 1982 in de VS en van 1990 tot 1995 in België.
In het licht van deze omstandigheden is er onvoldoende grond om te concluderen dat de zoon verplicht is tot rekening en verantwoording over het beheer van het vermogen van moeder vanaf 1976. Dit betekent dat de grieven in zoverre falen.
Het hof is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en mede gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt (onder meer: HR 9 mei 2014 HR:2014:1089), van oordeel dat een verplichting van de zoon tot het afleggen van rekening en verantwoording wél geldt ten aanzien van daden van beheer waarbij hij rechtstreeks betrokken is geweest.
Het gaat dan in het bijzonder om de overboekingen naar privérekeningen van de zoon van gelden van de bankrekening van moeder en van verkoopopbrengsten van panden van moeder die rechtstreeks op een rekening van de zoon zijn gestort.
Omtrent die overboekingen heeft de zoon in de onderhavige procedure rekening en verantwoording afgelegd in die zin dat hij heeft verklaard dat de overgeboekte gelden door hem besteed aan:
– betalingen ten behoeve van het onderhoud van panden van moeder en aan “kraakwachten”;
– betalingen aan zichzelf als beloning voor zijn bemoeienis met het beheer van het vermogen van moeder.
Het gaat, blijkens de in het geding gebrachte bewijsstukken, om de volgende overboekingen en stortingen:
a) stortingen op privérekeningen van de zoon in de periode 1981 tot 2003, te weten:
– negen overboekingen van de bankrekening van moeder;
– één overboeking van de andere van moeder;
– drie stortingen van verkoopopbrengsten van onroerende zaken van moeder, welke opbrengsten rechtstreeks door de transporterende notaris zijn overgemaakt naar een bankrekening van de zoon.
b) storting van de verkoopopbrengst van de woning op 10 februari 1997 door de transporterende notaris ten bedrage van f. 170.143,10, omgerekend € 77.207,57. De notaris heeft deze opbrengst gestort op de girorekening. De zoon betwist weliswaar dat het om een rekening van hem gaat, maar aan die betwisting gaat het hof voorbij. Allereerst staat op de afrekening van de notaris dat het om een girorekening ten name van de zoon gaat, maar bovendien heeft de zoon zelf dagafschriften van deze rekening overgelegd waaruit blijkt dat het wel degelijk om een rekening van hem gaat.
c) tien overboekingen van de bankrekening van moeder naar rekeningen van de zoon in de periode 1990 tot en met 1999, tot een totaalbedrag van f. 600.061,13, omgerekend € 272.295,87. Voor het merendeel gaat het om overboekingen van de effectenrekening van moeder.
Het totaalbedrag van de voormelde overboekingen en stortingen bedraagt € 910.791,94.
De zoon stelt dat een deel van het geld hem toekwam op grond van een met moeder gemaakte afspraak dat hij in verband met zijn beheeractiviteiten recht had op 20% van de bruto huuropbrengst van de panden van moeder. Volgens de zoon hebben met name de vier laatste overboekingen die zijn vermeld, te weten: een overboeking op 27 oktober 2000 groot f. 231.275,36 (omgerekend € 104.948,18), een overboeking op 26 juni 2001 groot f. 339.982,15 (omgerekend € 154.277,17) en een overboeking op 14 januari 2003 ten bedrage van € 140.000,-, hierop betrekking. Het totaal van deze overboekingen bedraagt € 399.225,35.
Volgens de zoon heeft hij de op zijn rekeningen geboekte gelden voor het overige besteed aan onderhoudskosten ten behoeve van de woningen van moeder en aan “kraakwachten”.
Appellant heeft de door de zoon afgelegde rekening en verantwoording betwist in die zin dat hij zowel de gestelde afspraak met moeder ten aanzien van vergoeding van 20% als de stelling dat een deel van het geld zou zijn besteed aan onderhoud en aan “kraakwachten” gemotiveerd heeft bestreden.
Het hof overweegt hieromtrent dat, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt, de bewijslast in deze bij de zoon ligt (onder meer: HR 30 januari 2009, HR:2009:BF7411).
Het hof zal de zoon, nu hij bewijs van zijn stellingen heeft aangeboden, toelaten tot het bewijs dat een deel van voormeld bedrag van € 910.791,94, te weten een bedrag van € 399.225,35, hem toekomt op grond van een met moeder gemaakte afspraak dat hij in verband met zijn beheeractiviteiten recht had op 20% van de bruto huuropbrengst van de panden van moeder en dat hij het bedrag van € 910.791,94 voor het overige, dit is een bedrag van € 511.566,59, heeft besteed aan het onderhoud van de panden van moeder en aan de betaling van “kraakwachten”.
De verdere beslissing op dit punt wordt aangehouden.
Appellant stelt zich op het standpunt dat de zoon ook rekening en verantwoording moet afleggen met betrekking tot een reeks contante opnamen van de bankrekening van moeder. Het gaat om opnamen tot een totaalbedrag van (omgerekend) € 169.640,69 en die zijn genoemd in productie 51 bij memorie van grieven tot een totaalbedrag van (omgerekend) € 341.294,79.
De zoon heeft betwist dat hij deze gelden contant van de rekening van moeder heeft opgenomen of heeft ontvangen.
Naar het oordeel van het hof ontbreekt toereikend bewijs dat de gelden door de zoon zijn opgenomen of anderszins door hem zijn ontvangen. De enkele omstandigheid dat veel opnamen zijn gedaan in de woonplaatsen van de zoon, kan niet als toereikend bewijs worden aangemerkt.
De grieven falen in zoverre.
Appellant heeft ook nog aangevoerd dat van de bankrekening van moeder tot een bedrag van (omgerekend) € 18.756,36 aan privé-nota’s van de zoon is betaald, onder andere nota’s van advocaten.
De zoon stelt dat het de keuze van moeder is geweest om die kosten van hem te dragen.
Het hof overweegt hieromtrent dat de enkele omstandigheid dat moeder nota’s van de zoon heeft betaald nog geen betalingsverplichting jegens de nalatenschap oplevert. Bijkomende omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn niet gesteld of gebleken.
Dat hier sprake zou zijn van giften die moeten worden ingebracht is niet door appellant gesteld; er is dienaangaande ook geen vordering door hem ingesteld.
Appellant heeft verder aangevoerd dat uit de belastingaangifte van moeder met betrekking tot het jaar 1980 blijkt dat zij toen appartementen in de VS had ter waarde van f. 500.000,-. Hij stelt zich op het standpunt dat de zoon (ook) ten aanzien van het beheer van die appartementen rekening en verantwoording moet afleggen.
De zoon heeft dit standpunt besteden. Hij stelt dat hij met betrekking tot het beheer van de appartementen in de VS niets van doen heeft gehad.
De rechtbank heeft het standpunt van appellant verworpen en zijn vordering op dit punt afgewezen.
Naar het oordeel van het hof faalt de grief van appellant. Dat de zoon op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het beheer van de appartementen in de VS is onvoldoende onderbouwd. De zoon is dan ook niet gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over het voeren van het beheer van het vermogen van een erflater voor diens overlijden, over het verstrekken van een volmacht of over het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.