Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 27 februari 2018 uitspraak gedaan over de verplichting tot het verrekening van vorderingen in een nalatenschap. Geen verplichting tot het verrekening van verjaarde vorderingen in een nalatenschap.
Met de grief heeft de erfgenaam betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat in het kader van de verdeling het door de deelgenoten nog niet terugbetaalde deel van de schulden aan voorheen erflaatster uit hoofde van geldlening behoort te worden verrekend met hetgeen de desbetreffende deelgenoot uit hoofde van de verdeling zonder verrekening zou hebben ontvangen.
Volgens de advocaat van de erfgenaam is deze verrekening niet mogelijk.
Naar het hof begrijpt voor over het de verjaarde vorderingen uit hoofde van geldlening betreft, niet, omdat te dien aanzien slechts sprake is van een natuurlijke verbintenis en de artikelen 3:184 lid 1 BW en 4:228 lid 1 BW zich daarover niet uitstrekken.
De overige erfgenamen hebben zich op het standpunt gesteld dat verjaarde vorderingen worden aangemerkt als een natuurlijke verbintenissen die zich lenen voor verrekening.
Zij hebben daarbij verwezen naar het arrest van het hof Leeuwarden van 24 november 2009 (GHLEE:2009:BK4276).
Geen verplichting tot het verrekening van al verjaarde vorderingen in een nalatenschap.
Het hof oordeelt als volgt.
Tegen het oordeel van de rechtbank bij tussenvonnis van 5 november 2014 dat het beroep van de erfgenaam op verjaring van de vordering uit hoofde van de geldlening van 20 april 2001 inzake fl. 110.000,– en de vordering uit hoofde van de geldlening van juni 2002 inzake € 12.500,– , slaagt, is geen (incidentele) grief gericht.
Tussen partijen is niet in geschil dat waar het de verjaarde vorderingen uit hoofde van geldlening betreft, na verjaring natuurlijke verbintenissen resteren.
Tussen partijen is wel in geschil of deze natuurlijke verbintenissen dienen te worden verrekend met hetgeen de erfgenaam uit hoofde van verdeling zonder verrekening zou hebben ontvangen.
Naar het oordeel van het hof kan in het onderhavige geval evenwel geen sprake zijn van verrekening reeds omdat de vorderingen uit hoofde van geldlening waren verjaard voordat de bevoegdheid tot verrekening (artikel 6:131, 3:184, 4:228 BW) bestond.
Omstandigheden die maken dat in het onderhavige geval op grond van de redelijkheid en billijkheid, zo dit al mogelijk zou zijn, anders zou moeten worden geoordeeld, zijn gesteld noch gebleken.
Bij het voorgaande komt dat erflaatster de schulden uit hoofde van geldlening aan haar zonen vóór haar overlijden had kwijtgescholden.
Hetgeen hiervoor is geoordeeld betekent dat de rechtbank in het tussenvonnis van 5 november 2014 ten onrechte heeft geoordeeld dat de overige erfgenamen kunnen verlangen dat op het aandeel van appellant in de nalatenschap de (niet meer afdwingbare) schulden uit geldlening worden toegerekend en dat het vonnis van 23 december 2015 zal worden vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat in het kader van de verdeling het door erfgenaam nog niet terugbetaalde deel van de schulden aan voorheen erflaatster uit hoofde van geldlening behoort te worden verrekend met hetgeen hij uit hoofde van de verdeling zonder verrekening zou hebben ontvangen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over verrekening in het erfrecht of over verjaringstermijnen, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.