De Rechtbank Rotterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de verschuldigdheid van rente over het kindsdeel uit een wettelijke verdeling.
Erflater heeft geen testament laten opmaken.
De wettelijke verdeling was daarom van toepassing.
De vordering heeft betrekking op de hoogte, de opeisbaarheid en het verhaal van de vordering van eiseres uit de nalatenschap van haar vader op de (nalatenschap van de) weduwe van haar vader.
Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Wettelijke verdeling. Kindsdeel. Rente over het kindsdeel. Wettelijke rente over het kindsdeel. Matiging van rente? Redelijkheid en billijkheid.
De rechter oordeelt als volgt.
Gedaagden hebben betwist dat rente en in elk geval dat rente over rente verschuldigd is.
Dit betoog slaagt gedeeltelijk.
De gevorderde hoofdsom betreft een vordering als bedoeld in artikel 4:13, derde lid, BW.
In dat artikellid is ook bepaald wanneer die vordering opeisbaar wordt, in dit geval ten tijde van het verlijden van erflaatster.
In het vierde lid van genoemd artikel is bepaald dat de in lid drie bedoelde geldsom (dus uitsluitend de hoofdsom en niet eventueel daarover reeds opgebouwde rente) wordt vermeerderd met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan zes, berekend per jaar vanaf de dag waarop de nalatenschap (in dit geval dus die van overledene) is opengevallen.
De rechtbank ziet geen grond om hierbij, zoals eiseres, te onderscheiden tussen periodes tot het overlijden van erflaatster, waarin artikel 4:13, vierde lid, BW van toepassing zou zijn, en periodes daarna, waarover de wettelijke rente verschuldigd zou zijn.
De verwijzing in het vierde lid naar de in het derde lid bedoelde geldsom ziet blijkens dat derde lid immers zowel op de nog niet opeisbare, als op de opeisbaar geworden geldsom.
Dit betekent dat slechts de vermeerdering van de hoofdsom zoals bedoeld in artikel 4:13, vierde lid, BW verschuldigd is en geen andere of hogere rente.
Gedaagden hebben nog naar voren gebracht dat de vordering tot betaling van de (wettelijke) rente, gelet op het tijdsverloop en gelet op het feit dat het beschikbare saldo op de bankrekeningen van erflaatster ook al rentedragend is (geweest), naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid primair op nihil moet worden bepaald en subsidiair gematigd moet worden tot een jaar.
Dit betoog slaagt niet.
De verschuldigdheid van de vermeerdering zoals bedoeld in artikel 4:13, vierde lid, BW acht de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.
Dat eiseres er pas in 2023 achter kwam dat erflaatster was overleden, kan haar niet worden aangerekend en zou, al ware dit anders, niet aan de verschuldigdheid van de vermeerdering afdoen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.