Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs uitspraak gedaan over de verjaring van een rechtsvordering tot de uitbetaling van het kindsdeel.

De moeder van de erflaatster heeft in haar testament de vader van de erflaatster tot haar enige erfgenaam benoemd onder de last aan de erflaatster renteloos schuldig te erkennen een bedrag gelijk aan haar erfdeel bij versterf dat opeisbaar is bij zijn overlijden en in een aantal andere situaties die hier niet spelen.

Deze vordering bedraagt € 140.468 en is opeisbaar geworden in 2006 (de sterfdag van vader).

Geïntimeerde moet als erfgename van vader dit bedrag betalen aan de nalatenschap van de erflaatster.

Volgens geïntimeerde is de rechtsvordering tot betaling van dit bedrag verjaard.

Zij licht dat ook toe.

De rechtsvordering tot betaling van deze schuld is ingesteld op 11 mei 2020 (de datum van de dagvaarding door appellant en zijn broer van geïntimeerde voor de rechtbank).

Op 4 december 2012 is namens appellant en zijn broers een brief gestuurd aan de kantonrechter in Zutphen.

Daarin staat onder meer:

“De moeder van mevrouw [de erflaatster], mevrouw X , is in 1994 overleden. Cliënten hebben aangegeven dat sprake is geweest van een zogenoemd langstlevendentestament. Dit zou betekenen dat op het moment van overlijden van vader de vordering van mevrouw [de erflaatster] opeisbaar is geworden (inclusief verschuldigde rente). Volgens cliënten is over deze vordering reeds successierecht betaald.

Cliënten achten het van belang dat wordt onderzocht of de afwikkeling van deze kwestie correct heeft plaatsgevonden en of de belangen van mevrouw [de erflaatster] naar behoren zijn behartigd.”

Namens de kantonrechter is op 5 februari 2013 aan de broers (appellant) het volgende bericht:

“Inzake nalatenschapkwesties is er geen taak voor de bewindrechter weggelegd. Onderzoek naar de afwikkeling van de door u bedoelde nalatenschap behoort dus niet tot het onderhavige bewindtoezicht. Betrokkenen zullen desgewenst zelf actie moeten ondernemen om erfgenamen aan te spreken, zo zij van mening zijn dat bij de verdeling van de nalatenschap iemand tekort is gedaan.”

Hieruit en uit de omstandigheid dat de gebroeders appellant in 2012 wisten van deze vordering van de erflaatster op haar vader leidt geïntimeerde af dat appellant in 2012 actie had moeten ondernemen en een rechtsvordering had moeten instellen.

Geïntimeerde stelt dat de rechtsvordering op grond van artikel 3:310 lid 1 BW op 5 december 2017 is verjaard door verloop van 5 jaar na de brief aan de kantonrechter van appellant aan de kantonrechter van 4 december 2012.

Geïntimeerde ziet met haar stellingen over verjaring over het hoofd dat appellant pas na het overlijden van de erflaatster op 30 mei 2017 als een van haar erfgenamen een rechtsvordering tot betaling van de vordering van de erflaatster op haar vader had kunnen instellen; daarvoor was dat niet mogelijk.

Tot die dag was het geïntimeerde zelf als bewindvoerder over alle goederen van de erflaatster (met inbegrip van deze vordering) die in de eerste plaats die vordering gewoon had moeten betalen en als dat niet zou lukken (bij tegenwerking van haar echtgenoot) namens haar die rechtsvordering had moeten instellen tegen de erfgenamen van vader, te weten geïntimeerde zelf en haar echtgenoot.

Voor de vraag welke verjaringstermijn van toepassing is op de rechtsvordering tot betaling van de vordering die de erflaatster op haar vader heeft verkregen vanwege het testament van haar moeder is van belang wat de aard is van de uiterste wilsbeschikking van haar moeder waarop die vordering is gebaseerd.

In het testament van de moeder van de erflaatster uit 1980 staat:

“Benoem ik tot mijn enige en algehele erfgenaam, mede ter voldoening aan mijn natuurlijke verbintenis tot zijn verzorging en onderhoud, mijn genoemde echtgenoot, onder de last om aan mijn genoemde dochter renteloos schuldig te erkennen een bedrag, dat overeenkomt met de waarde van het erfdeel bij versterf van bedoelde dochter, indien ik zou zijn overleden zonder bij testament over mijn nalatenschap te hebben beschikt, welke waarde moet worden berekend op de wijze als vermeld in de artikelen 1123 en 1124 van het Burgerlijk Wetboek. Gemeld renteloos schuldig te erkennen bedrag zal niet opeisbaar zijn dan bij (…), overlijden (…).”

Erfrecht. Verjaring van een vorderingsrecht. Verjaring van de rechtsvordering tot de uitbetaling van het kindsdeel. Uitleg van het testament. Last of legaat? Verjaring van een legaat.

De rechter oordeelt als volgt.

De vraag is of de moeder van de erflaatster haar in dit testament (rechtstreeks) een vorderingsrecht heeft gegeven, zodat sprake is van een legaat (met een verjaringstermijn van 20 jaar)) of dat voor het ontstaan van dat vorderingsrecht nodig is dat de vader van de erflaatster formeel het bedrag dat in het testament is bedoeld schuldig erkent en de erflaatster die schuldigerkenning aanvaardt.

In dat laatste geval is sprake van een last die moet worden uitgevoerd door het aangaan van een overeenkomst en zou sprake kunnen zijn van een verbintenis uit een overeenkomst en van de verjaringstermijn van 5 jaar van artikel 3:307 BW.

In verband met artikel 68 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek moet deze vraag (legaat of last) worden beantwoord aan de hand van het huidige erfrecht.

Het hof legt het testament van de moeder van de erflaatster zo uit dat zij bedoeld heeft aan de erflaatster een vorderingsrecht, een legaat, te geven.

Dat zij het woord ‘last’ gebruikt is voor de uitleg niet doorslaggevend.

Belangrijk is ook dat partijen zelf kennelijk ervan uitgaan dat uit het testament van de moeder van de erflaatster rechtstreeks voortvloeit dat de erflaatster een vorderingsrecht heeft gekregen en dat daarvoor niet nog een nadere overeenkomst van schuldigerkenning tussen de vader van de erflaatster en de erflaatster zelf nodig is.

Gelet op de verzorgingsgedachte die de moeder van de erflaatster in haar testament uitdrukkelijk verwoordt is het ook moeilijk denkbaar dat de moeder van de erflaatster de rechtsfiguur van de testamentaire last op het oog heeft gehad met de mogelijkheid van vervallenverklaring van het erfrecht van haar echtgenoot, de vader van de erflaatster.

Ten slotte blijkt nergens van een ‘formele’ overeenkomst van schuldigerkenning tussen de vader van de erflaatster en de erflaatster zelf.

Rechtsvorderingen tot betaling van een legaat verjaren door verloop van twintig jaren na de dag volgende op die waarop de onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd (artikel 3:306 BW in verbinding met art. 3:313 BW).1

In dit geval is die termijn gaan lopen op 14 januari 2006 en loopt deze nog.

Anders dan geïntimeerde heeft betoogd is van verjaring geen sprake.

De verjaringstermijn van 5 jaar van artikel 3:310 lid 1 BW die zij noemt betreft rechtsvorderingen tot betaling van schadevergoeding of van een boete en is hier niet van toepassing.

Ook de andere verjaringstermijnen van 5 jaar genoemd in titel 11 van Boek 3 BW zijn hier niet van toepassing.

De grief faalt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.