De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft onlangs uitspraak gedaan over de jaarlijkse opgaveplicht van het bezwaard vermogen bij een tweetrapsmaking in een testament.
Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde op grond van het bepaalde in het testament onder C artikel 1 sub g gehouden is jaarlijks, voor het eerst op 26 maart 2023, aan eiseres een ondertekende, nauwkeurige opgave te zenden van de goederen die niet meer aanwezig zijn, van de goederen die daarvoor in de plaats zijn gekomen, en van de voordelen die de goederen hebben opgeleverd en die geen vruchten zijn.
Erflaatster heeft in haar testament de wet als uitgangspunt genomen voor de vraag of gedaagde gehouden is jaarlijks een opgave te doen van de stand van zaken.
Uit artikel 4:138 lid 2 BW vloeit voort dat de wettelijke voorschriften betreffende het vruchtgebruik van overeenkomstige toepassing zijn op de verhouding tussen gedaagde en eiseres.
Op grond van artikel 3:205 lid 4 BW is gedaagde verplicht jaarlijks opgave te doen van de goederen die niet meer aanwezig zijn, de goederen die daarvoor in de plaats zijn gekomen en de voordelen die de goederen hebben opgeleverd die geen vruchten zijn.
In artikel 3:205 lid 5 BW is bepaald dat de vruchtgebruiker niet kan worden vrijgesteld van deze verplichting.
Erflaatster heeft dus het uitgangspunt van de wet, namelijk de dwingendrechtelijke regel van artikel 4:138 lid 2 BW juncto artikel 3:205 lid 4 BW van overeenkomstige toepassing verklaard op haar nalatenschap en dat betekent dat hiervan niet mag worden afgeweken, aldus nog steeds eiseres.
Gedaagde betwist dat hij verplicht is om jaarlijks opgave te doen van het bezwaarde vermogen.
Deze verplichting staat volgens gedaagde niet in het testament.
Gedaagde voert onder verwijzing naar de Parlementaire Geschiedenis aan dat de wetgever heeft bepaald dat niet alle bepalingen van vruchtgebruik op de tweetrapsmaking van toepassing zijn.
Het is mogelijk om de (dwingendrechtelijke) bepalingen van het wettelijk vruchtgebruik buiten toepassing te verklaren, zoals erflaatster met betrekking tot de opgaveplicht in artikel 5 sub g van het testament heeft gedaan.
Dat artikel 4:138 lid 2 BW verwijst naar bepalingen die van dwingend recht zijn, maakt niet dat de testeervrijheid, die zeer ruim is, wordt ingeperkt.
Een tweetrapsmaking kan niet op één lijn met vruchtgebruik worden gesteld.
De bezwaarde is immers enig rechthebbende en de verwachter heeft tot vervulling van de voorwaarde geen rechten op het erfrechtelijk vermogen.
Bij vruchtgebruik is de hoofdgerechtigde de eigenaar.
De rechten van de erfgenaam onder opschortende voorwaarden gaan veel verder dan slechts het recht op gebruik van de vruchten van goederen conform de definitie van artikel 3:205 BW.
Zo mag de erfgenaam onder opschortende voorwaarde vrijelijk over de goederen beschikken en het vermogen verteren.
Daarbij past geen verplichting om jaarlijks opgave te doen van de goederen.
Bovendien geldt dat de verwijzing in artikel 4:138 BW naar de vruchtgebruiksbepalingen van regelend recht is, ook voor wat betreft de wetsbepalingen die voor de toepassing van het vruchtgebruik van dwingend recht zijn.
In het erfrecht is de testeervrijheid een belangrijk begrip en er is geen enkele reden om de testeervrijheid van erflaatster op het gebied van de jaarlijkse opgave in te perken ten gunste van eiseres.
Het is aan erflaatster om te bepalen onder welke voorwaarden de making van het onverteerde wordt gedaan.
Verder wijst gedaagde op de wetsystematiek.
De opgaveplicht is niet van toepassing voor de vruchtgebruiker jegens de eigenaar of hoofdgerechtigde bij toepassing van artikel 4:19 en 4:21 BW en niet valt in te zien waarom de opgaveplicht dan wel verplicht zou zijn bij artikel 4:138 lid 2 BW.
Gezien de parlementaire geschiedenis, de testeervrijheid en de wetsystematiek, dienen de dwingendrechtelijke bepalingen met betrekking tot de opgaveplicht niet dwingendrechtelijk te zijn voor de bezwaarde en kon erflaatster de verplichting van artikel 3:205 lid 4 BW buiten toepassing verklaren in het testament, aldus gedaagde.
Erfrecht. Tweetrapsmaking in testament. Fideï-commis. Bezwaard vermogen. Vruchtgebruik. Vruchten. Jaarlijkse opgave. Opgaveplicht. Zaaksvervanging. Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
Beoordeeld dient te worden of de voor vruchtgebruik dwingend voorgeschreven verplichting om jaarlijks opgave te doen (artikel 3:205 lid 4 en 5 BW) op grond van artikel 4:138 lid 2 BW ook geldt in de rechtsverhouding tussen gedaagde en eiseres.
De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Hiervoor is het volgende van belang.
Uitgangspunt is dat in de wet de dwingendrechtelijke regel van artikel 3:205 lid 4 BW van overeenkomstige toepassing is verklaard voor voorwaardelijke erfstellingen en dat betekent dat hiervan niet mag worden afgeweken.
In de uitlatingen van de minister is geen aanknopingspunt te vinden voor het standpunt dat ook bij deze dwingendrechtelijke bepaling de toepasselijkheid afhangt van de aard en de inhoud van de voorwaardelijke erfstelling.
De minister heeft zich hierover niet uitgelaten.
Indien de uitlatingen van de minister aldus geïnterpreteerd moeten worden dat ook de toepasselijkheid van dwingendrechtelijke bepalingen afhankelijk is van de concrete aard en de inhoud van de voorwaardelijke erfstelling, geldt dat in de concrete rechtsverhouding tussen gedaagde en eiseres uitgegaan dient te worden van de toepasselijkheid van de verplichting tot jaarlijkse opgave als bedoeld in artikel 3:205 lid 4 BW.
Hiervoor is met name relevant het beginsel van zaaksvervanging (artikel 4:138 lid 2 BW juncto 3:213 BW).
Op grond van dit beginsel heeft een verwachter in beginsel recht op de goederen die voor de oorspronkelijke, door de bezwaarde geërfde goederen in de plaats zijn gekomen.
Door een jaarlijkse opgave krijgt de verwachter een beter inzicht met betrekking tot de vraag ten aanzien van welke goederen zaaksvervanging aan de orde is geweest.
Dit geldt ook in het onderhavige geval, waarbij van het bezwaarde vermogen onder meer deel uitmaken een woning, banksaldi en een auto.
Redengevend is tevens dat erflaatster heeft bepaald dat het gedaagde verboden is door gift of bij uiterste wilsbeschikking anders dan ten gunste van de (gezamenlijke) verwachter(s) over de verkrijging te beschikken (artikel C, lid 5 sub g van het testament).
Een jaarlijkse opgave is voor eiseres dus ook van belang om kennis te nemen van eventuele schenkingen die door gedaagde uit het bezwaarde vermogen zijn gedaan.
Op grond van het voorgaande is de toepasselijkheid van artikel 3:205 lid 4 BW in het onderhavige geval – in de woorden van de minister – als een redelijke uitkomst aan te merken.
Nu bovendien in het testament niet ondubbelzinnig is afgeweken van het bepaalde in artikel 3:205 lid 4 BW, ligt de vordering tot het doen van een (jaarlijkse) opgave voor toewijzing gereed.
De vordering van eiseres tot het opleggen van een dwangsom zal worden afgewezen.
Op de mondelinge behandeling heeft gedaagde namelijk toegezegd dat hij aan een eventuele veroordeling zal voldoen.
Een reden om aan die toezegging te twijfelen is gesteld noch gebleken.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.