De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of de vordering uit een ouderlijke boedelverdeling opeisbaar was en of voor die vordering zekerheid gesteld diende te worden.

Eiser maakt aanspraak op betaling van zijn geldvordering uit de nalatenschap van zijn moeder.

Kern van de discussie tussen partijen ziet op de vraag of deze vordering opeisbaar is geworden.

Erflaatster heeft in hoofdstuk 3 van haar testament bepaald in welke situatie de vordering van eiser op gedaagde onmiddellijk opeisbaar wordt.

Tussen partijen is niet in geschil dat geen van de genoemde situaties zich voordoet.

Eiser stelt dat de grondslag voor het vervroegd kunnen opeisen van zijn vordering is gelegen in het feit dat gedaagde bij het beheer van het vermogen misbruik van bevoegdheid maakt.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van gedaagde voert eiser het volgende aan.

De verhouding tussen partijen is al jaren verstoord.

Sinds het overlijden van erflaatster hebben partijen geen contact meer met elkaar, behalve over de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster.

Bij die contacten heeft gedaagde herhaaldelijk aan eiser te kennen gegeven dat hij ervoor zal zorgen dat eiser niets zal verkrijgen uit de nalatenschap.

Zo ook tijdens het gesprek met eiser over het verkrijgen van inzage in de bezittingen en de schulden van de nalatenschap op 17 juli 2018.

Tijdens dat gesprek dreigde gedaagde: “als jij niet gauw oppast jongen, dan verkoop ik mijn huis voor een habbekrats, zodat je nog niet een derde krijgt van alles”.

Dit dreigement heeft gedaagde volgens eiser waargemaakt door in 2020 de woning te verkopen aan een derde voor een bedrag van € 160.000,-, terwijl de marktwaarde van de woning op dat moment € 235.000,- bedroeg.

Duidelijk is dat gedaagde het vermogen wil verkwisten.

Met de verkoop van de woning heeft gedaagde alleen het doel gehad om de testamentaire belangen van eiser te schaden, aldus eiser.

Gedaagde betwist dat hij zich schuldig maakt of heeft gemaakt aan het gestelde misbruik van bevoegdheid.

Hij heeft eiser op 17 juli 2018 gewezen op wat hem door de notaris was uitgelegd, te weten dat eiser zijn erfdeel pas krijgt uitgekeerd na zijn overlijden.

Hij heeft niet gedreigd dat hij ervoor zal zorgen dat eiser niets zal verkrijgen uit de nalatenschap.

Maar zelfs al zou eiser zijn uitlatingen op 17 juli 2018 als zodanig hebben opgevat, dan kan dat niet los worden gezien van de omstandigheden van dat moment.

Zijn echtgenote was na een zeer lang huwelijk kort daarvoor overleden.

Daarover rouwde hij, terwijl hij door de uitlatingen van eiser sterk de indruk kreeg dat eiser enkel geïnteresseerd leek in het zo snel mogelijk verkrijgen van geld en sieraden.

Geld en sieraden waarvoor hij en zijn echtgenote hard hebben gewerkt.

Betwist wordt dat hij het vermogen wil verkwisten.

De verkoop van de woning onder de voorwaarde dat hij tot aan zijn dood gratis in de woning kan blijven wonen zorgt ervoor dat hij tegen lagere lasten verzekerd is van een dak boven zijn hoofd en financieel onafhankelijk is.

De verkoopprijs van € 160.000,- is niet uitzonderlijk laag, gelet op het daaraan gekoppelde levenslange recht van gratis bewoning dat een substantiële waarde, vergelijkbaar met de waarde in geval van vruchtgebruik, vertegenwoordigt.

Dat hij de woning heeft verkocht met als doel eiser in zijn verhaalsmogelijkheden te benadelen, wordt betwist en dat blijkt ook nergens uit, aldus gedaagde.

Erfrecht. Ouderlijke boedelverdeling. Is de vordering opeisbaar? Misbruik van bevoegdheid langstlevende? Zekerheid. Verhaal. Conservatoir beslag. Toetsing.

De rechter oordeelt als volgt.

In het licht van deze gemotiveerde betwisting is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat sprake is van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van gedaagde.

Het kan zo zijn – en dit staat tussen partijen in zoverre ook niet ter discussie – dat gedaagde in zijn boosheid tegen eiser heeft gezegd dat hij niets zal verkrijgen, maar dat enkele feit is niet voldoende om aan te kunnen nemen dat gedaagde daadwerkelijk en bewust de verhaalsmogelijkheden van eiser frustreert dan wel wil gaan frustreren.

Dat gedaagde – zoals eiser ter zitting heeft aangevoerd – niet wil zeggen wat er nog over is van het vermogen, leidt niet tot een ander oordeel.

Op gedaagde rust geen verplichting om ter zake rekening en verantwoording aan eiser af te leggen.

Bovendien mag gedaagde met het vermogen dat hij uit de nalatenschap van erflaatster heeft ontvangen, doen wat hij wil.

Anders zou dit zijn als gedaagde inderdaad eiser bewust wil benadelen, maar daarvoor biedt het dossier geen aanknopingspunten.

Zo is niet gesteld en niet gebleken dat gedaagde na het overlijden van erflaatster buitensporige uitgaven heeft gedaan in de context van zijn behoefte en zijn uitgavenpatroon van daarvoor.

Ook is onvoldoende onderbouwd dat de woning door gedaagde voor een te laag bedrag is verkocht, gelet op het door hem bedongen levenslange recht van gratis bewoning.

Eiser heeft niet aan zijn stelplicht voldaan.

Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.

De stelling van eiser dat sprake is van misbruik van bevoegdheid aan de zijde van gedaagde wordt als onvoldoende gemotiveerd verworpen.

Eiser stelt dat de bevoegdheid van gedaagde om vrijelijk over de geldvordering van eiser te beschikken ook moet worden begrensd op grond van het feit dat gedaagde na voldoening van de vordering voldoende liquide middelen overhoudt om in zijn levensonderhoud en verzorging te kunnen voorzien.

Eiser vordert ook op die grond betaling van zijn vordering dan wel subsidiair dat gedaagde voor betaling van de vordering zekerheid stelt tot het moment dat één van de situaties als genoemd in hoofdstuk 3 van het testament zich voordoet.

Nu gedaagde de vordering van eiser niet nodig heeft om ongestoord verder te kunnen leven zou zijn belang om vrijelijk over de vordering te kunnen beschikken ondergeschikt moeten worden geacht aan het belang van eiser om (te zijner tijd) over de vordering te kunnen beschikken, aldus eiser.

Gedaagde betwist dit alles.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog.

Erflaatster heeft in haar testament uitdrukkelijk bepaald in welke situaties de geldvordering van eiser op gedaagde onmiddellijk opeisbaar wordt.

De situatie die eiser schetst – voor zover al zou kunnen worden aangenomen dat gedaagde na voldoening van de vordering in zijn verzorgingsbehoefte kan voorzien en ongestoord verder kan leven, wat gedaagde betwist – wordt in het testament niet genoemd.

In de in het testament genoemde situaties ziet de rechtbank ook op geen enkele wijze de verplichting voor gedaagde om voor de betaling van de vordering zekerheid te stellen tot het moment dat één van de genoemde situaties zich voordoet.

Ook de wettelijke bepalingen bieden geen grond voor een verplichting van gedaagde tot voldoening van de vordering dan wel tot zekerheidstelling.

Op grond van het voorgaande wordt in conventie zowel de primaire als de subsidiaire vordering van eiser afgewezen.

De Hoge Raad heeft op 24 juni 2016 met betrekking tot een vordering met betrekking tot een ouderlijke boedelverdeling beslist, dat in zeer uitzonderlijke omstandigheden conservatoir beslag voor een niet opeisbare vordering mogelijk moet zijn.

Dat in het onderhavige geval sprake is van een zo uitzonderlijke situatie en van zwaarwegende belangen dat beslag gerechtvaardigd is, is niet gebleken.

De vordering van gedaagde tot opheffing van het gelegde beslag wordt daarom toegewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.