Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of er al een afspraak gemaakt was gemaakt over de hoogte van de geldvordering bij een wettelijke verdeling.

Verzoekster heeft in haar akte het standpunt ingenomen dat voor de vaststelling van haar geldvordering de nalatenschap van vader gewaardeerd dient te worden naar de waarde ervan in het economisch verkeer, waarbij moet worden onderscheiden in het privévermogen en het ondernemingsvermogen.

Verweerster en belanghebbenden voeren aan dat verzoekster heeft ingestemd met een waardering van de nalatenschap in verpachte staat, waarbij zij alleen een voorbehoud heeft gemaakt dat zag op het verkrijgen van inzage in de jaarrekeningen om te kunnen checken of de cijfers als vermeld in de “specificatie nalatenschap ” juist zijn, in het bijzonder of het aandeel van belanghebbende in het ondernemingsvermogen juist was weergegeven.

Haar instemming met die wijze van waardering voor de aangifte erfbelasting dient volgens verweerster en belanghebbenden nu leidend te zijn voor de vaststelling van haar vordering ex artikel 4:13 BW.

Erfrecht. Wettelijke verdeling. Vaststellen van de geldvordering van kind op ouder. Is er een afspraak gemaakt over de hoogte van de geldvordering? Voorbehoud?

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof stelt vast dat verzoekster heeft ingestemd met het doen van aangifte erfbelasting op basis van de waarde in verpachte staat, waarbij de verkrijging per kind is bepaald op € 204.806.

Verder blijkt uit de door verzoekster op 2 februari 2018 doorgestuurde e-mail van haar adviseur, dat verzoekster ook daarna tijdens besprekingen over de verdeling van de nalatenschap haar aanspraken heeft gebaseerd op een erfdeel van € 204.806.

Daarbij heeft zij alleen een klein voorbehoud gemaakt voor de waarde van de onderneming, met name het aandeel van belanghebbende daarin, omdat geen inzage was verkregen in de jaarrekeningen.

Vervolgens heeft verzoekster uitvoerig onderhandeld over een koopovereenkomst met moeder, eveneens op basis van die aanspraak van € 204.806.

De koopovereenkomst is uiteindelijk ook tot stand gekomen waarbij alleen een voorbehoud is gemaakt met betrekking tot de financiering.

Verzoekster heeft gesteld dat het voorbehoud een verderstrekkend karakter had, maar daar is niets van gebleken.

De koopovereenkomst is ontbonden omdat het financieringsvoorbehoud door verzoekster is ingeroepen.

Die ontbinding was dus het gevolg van een verzoekster zelf betreffende omstandigheid.

Ook daarna heeft verzoekster nog pogingen ondernomen om de koop alsnog rond te krijgen.

Pas nadat ook dat niet gelukt was, is zij haar erfaanspraak gaan baseren op de waarde van de nalatenschap van vader in het economisch verkeer.

In een e-mailbericht van 22 februari 2018 was daar was door haar toenmalig financieel adviseur al op gezinspeeld, maar verzoekster heeft dat standpunt in de verdere onderhandeling over een koopovereenkomst kennelijk laten varen.

Het hof is van oordeel dat verzoekster dat in de hiervoor beschreven situatie niet meer vrijstond, en dat zij jegens verweerster en belanghebbenden gebonden bleef aan de afspraak dat haar erfaanspraak gebaseerd kon worden op de waarde van de nalatenschap van vader in verpachte staat.

Omdat de koopovereenkomst uiteindelijk niet is doorgegaan, is daarbij nog wel haar voorbehoud ten aanzien van de waarde van de onderneming in stand gebleven.

Met betrekking tot dat voorbehoud heeft verzoekster herhaalde malen gevraagd om verstrekking van financiële gegevens, welke haar door verweerster en belanghebbenden geweigerd is.

In de tussenbeschikking is uitdrukkelijk vermeld dat op hen een inzageverplichting rust als verzoekster voor haar uitlating eerst nog inzage zou willen hebben in nadere financiële bescheiden waarover de andere erfgenamen beschikken.

Pas in haar akte uitlating doet verzoekster een gespecificeerde opgave van de bescheiden waar zij nog kennis van wil nemen.

Niet is gebleken dat verzoekster al vóór haar akte uitlating een verzoek heeft neergelegd bij verweerster en belanghebbenden om nadere stukken.

Een nadere toelichting waarom zij daar niet al eerder om heeft verzocht, zoals in de tussenbeschikking bepaald, heeft verzoekster niet gegeven.

In deze beschikking is nader beslist dat de vaststelling van de geldvordering die verzoekster heeft op haar moeder dient te geschieden op basis van de waarde van de nalatenschap van vader in verpachte staat.

Over wat dat betekent voor haar vordering, heeft verzoekster zich nog niet specifiek uitgelaten.

Die gelegenheid zal haar nog geboden worden.

Het gaat er daarbij met name om wat uit de door verweerster en belanghebbenden in deze procedure overgelegde financiële bescheiden volgt voor de waarde van de nalatenschap in verpachte staat en wat daaruit voortvloeit voor de hoogte van de geldvordering van verzoekster op haar moeder op grond van artikel 4:13 BW.

Daarbij geldt dat aan de uitgangspunten waarop die waarde is berekend, zoals vermeld onder in de “specificatie nalatenschap”, niet meer getornd kan worden, nu niet is gebleken dat over die uitgangspunten verschil van mening is geweest.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.