De Rechtbank Noord-Holland heeft onlangs uitspraak gedaan over de vaststelling van de geldvordering bij een wettelijke verdeling.
Op 20 november 2023 is de erflater overleden.
Op grond van de wet is de wettelijke verdeling van toepassing en zijn verzoekster en verweerder erfgenaam, ieder voor de helft.
Erfrecht. Wettelijke verdeling. Vaststelling van de geldvordering. Stellen van zekerheid. Stiefmoeder. Wilsrechten. Vruchtgebruik. Rente. Dwangsom?
De rechter oordeelt als volgt.
Op de nalatenschap van erflater is de wettelijke verdeling van toepassing en verzoekster verkrijgt daarom de goederen van de nalatenschap, onder gehoudenheid de schulden te voldoen.
Verweerder krijgt een niet opeisbare geldvordering ten laste van verzoekster ter hoogte van zijn erfdeel.
Verzoekster en verweerder kunnen het niet eens worden over de omvang van de nalatenschap, en daarmee de hoogte van de geldvordering van verweerder op verzoekster.
De kantonrechter zal dan ook overgaan tot het vaststellen van de geldvordering van verweerder.
De kantonrechter is van oordeel dat de geldvordering vastgesteld moet worden op € 272.126,58.
Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
De nalatenschap van erflater is samengesteld uit de helft van de (door het overlijden van erflater ontbonden) huwelijksgemeenschap en het vermogen dat erflater op grond van het testament van de moeder van erflater onder een uitsluitingsclausule heeft verkregen en dus niet in de huwelijksgemeenschap valt.
Dit beginsel staat tussen verzoekster en verweerder niet ter discussie.
Verweerder maakt ook aanspraak op vergoeding van rente over de geldvordering op grond van artikel 4:13 lid 4 BW en rente ten gevolge van verzuim zekerheid te stellen.
Deze vordering wordt afgewezen.
Het is aan de kantonrechter om de omvang van de geldvordering vast te stellen.
Met welke rentebedragen de vordering jaarlijks vermeerderd moet worden volgt uit de wet en het is niet aan de kantonrechter dat te berekenen of daarover in deze procedure een oordeel te geven.
Verzoekster is de stiefmoeder van verweerder en zij moet op grond van artikel 4:21 BW zekerheid stellen voor de geldvordering door het overdragen van goederen ter waarde van die geldvordering.
Verzoekster biedt aan een aandeel in de woning ter hoogte van de geldvordering aan verweerder over te dragen.
Verweerder heeft daar bezwaar tegen, maar dat bezwaar weegt niet zwaar genoeg.
Ten eerste is de bedoeling van het vruchtgebruik van artikel 4:21 BW dat de stiefouder – ondanks de zekerheid die het stiefkind heeft verkregen – ongestoord moet kunnen voortleven.
Het overmaken van ruim € 270.000,- aan verweerder staat haaks op die bedoeling.
De kantonrechter begrijpt voorts dat de communicatie tussen verzoekster en verweerder te wensen overlaat, maar waarom dat in de weg staat aan het overdragen van een aandeel in de woning – en het vestigen van vruchtgebruik ten behoeve van verzoekster – ziet de kantonrechter niet.
In de omstandigheid dat verzoekster en verweerder door deze constructie ook in de toekomst met elkaar van doen blijven hebben ziet de kantonrechter niet als een onoverkomelijk bezwaar, over de noodzakelijke dingen moet zakelijk en bondig contact mogelijk zijn.
De kantonrechter ziet geen aanleiding verzoekster met betrekking tot het stellen van zekerheid een dwangsom op te leggen omdat zij veroordeeld wordt zekerheid te stellen door het overdragen van een aandeel in de door haar zelf voorgestelde onroerende zaak.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.