Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de noodzaak van het afleggen van rekening en verantwoording en over de verrekening van verjaarde vorderingen.
Afleggen rekening en verantwoording over beheer van mede-rekeninghouder? Verrekening van verjaarde vordering uit geldlening?
De rechter oordeelt als volgt.
Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden.
Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht. Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming.
Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen (HR 9 mei 2014 HR:2014:1089).
Anders dan geïntimeerden betogen brengt de omstandigheid dat appellant mederekeninghouder was op zich zelf niet mee dat hij rekening en verantwoording aan de overige erfgenamen dient af te leggen.
De, door geïntimeerden gestelde, omstandigheid dat het gezichtsvermogen van erflaatster de laatste jaren van haar leven ernstig achteruit was gegaan en dat zij gezien haar leeftijd (93) jaar haar financiële positie niet volledig kon doorgronden en overzien, maakt het voorgaande niet anders.
Evenmin maakt de omstandigheid dat het geld op bedoelde rekeningen van erflaatster was het voorgaande anders.
Geïntimeerden stellen zelf dat het niet zo was dat erflaatster niet compos mentis was. Het betoog van geïntimeerden dat appellant 13 bankrekeningen voor erflaatster heeft geopend, waaronder naar het hof begrijpt de rekeningen die mede op naam van appellant zijn gezet, zonder dat erflaatster zich daarvan bewust was, althans kon zij geweest, is gezien het voorgaande door geïntimeerden onvoldoende onderbouwd.
Het moet er daarom voor worden gehouden dat het beheer over de rekeningen bij ABN AMRO Bank voorafgaand aan het overlijden van erflaatster met instemming van erflaatster heeft plaatsgevonden.
Hieraan doet niet af dat de bankpas uitsluitend op naam van appellant stond. Evenmin doet aan het voorgaande af hetgeen van de zijde van geïntimeerden bij pleidooi is gesteld dat appellant al de bankpassen van moeder had.
Appellant hoeft over het door hem gevoerde beheer over het vermogen van erflaatster voor zover betrekking hebbend op de rekeningen bij ABN AMRO Bank geen rekening en verantwoording af te leggen over de periode vanaf 1 januari 2008 tot en met de datum van overlijden in 2011.
Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden zijn gesteld noch gebleken. Geïntimeerde hebben het betoog van appellant bij memorie van grieven dat voor het overlijden van erflaatster van deze gezamenlijke rekeningen geen betalingen zijn gedaan niet betwist.
De grief ziet niet op het oordeel van de rechtbank dat appellant rekening en verantwoording moet afleggen ter zake de opnames ten laste van de girorekening. Voor zover de grief mede is gericht tegen dat oordeel van de rechtbank bevat deze grief geen concreet bezwaar tegen dat oordeel, en wordt deze grief in zoverre als onvoldoende bepaald verworpen.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank bij tussenvonnis van 5 november 2014 ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant over de rekeningen waarvan hij mede rekeninghouder is rekening en verantwoording dient af te leggen over de periode voor overlijden van erflaatster.
Voorts betekent het voorgaande dat het vonnis van 23 december 2012 zal worden vernietigd voor zover appellant onder het dictum is veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording over het door hem gevoerde beheer over het vermogen van erflaatster in de periode vanaf 1 januari 2008 tot en met de datum van overlijden 2011, voor zover betrekking hebbend op de bankrekeningen bij ABN AMRO Bank.
Verrekening
Met de volgende grief heeft appellant betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat in het kader van de verdeling het door de deelgenoten nog niet terugbetaalde deel van de schulden aan voorheen erflaatster uit hoofde van geldlening behoort te worden verrekend met hetgeen de desbetreffende deelgenoot uit hoofde van de verdeling zonder verrekening zou hebben ontvangen.
Volgens appellant is deze verrekening niet mogelijk. Naar het hof begrijpt voor over het de verjaarde vorderingen uit hoofde van geldlening betreft, niet, omdat te dien aanzien slechts sprake is van een natuurlijke verbintenis en de artikelen 3:184 lid 1 BW en 4:228 lid 1 BW zich daarover niet uitstrekken.
Geïntimeerden hebben zich op het standpunt gesteld dat verjaarde vorderingen worden aangemerkt als een natuurlijke verbintenissen die zich lenen voor verrekening.
Zij hebben daarbij verwezen naar het arrest van het hof Leeuwarden van 24 november 2009 (GHLEE:2009:BK4276).
Het hof oordeelt als volgt.
Tegen het oordeel van de rechtbank bij tussenvonnis van 5 november 2014 dat het beroep van appellant op verjaring van de vordering uit hoofde van de geldlening van 20 april 2001 inzake fl. 110.000,– en de vordering uit hoofde van de geldlening van juni 2002 inzake € 12.500,– , slaagt, is geen (incidentele) grief gericht.
Tussen partijen is niet in geschil dat waar het de verjaarde vorderingen uit hoofde van geldlening betreft, na verjaring natuurlijke verbintenissen resteren.
Tussen partijen is wel in geschil of deze natuurlijke verbintenissen dienen te worden verrekend met hetgeen appellant uit hoofde van verdeling zonder verrekening zou hebben ontvangen.
Naar het oordeel van het hof kan in het onderhavige geval evenwel geen sprake zijn van verrekening reeds omdat de vorderingen uit hoofde van geldlening waren verjaard voordat de bevoegdheid tot verrekening (artikel 6:131, 3:184, 4:228 BW) bestond.
Omstandigheden die maken dat in het onderhavige geval op grond van de redelijkheid en billijkheid, zo dit al mogelijk zou zijn, anders zou moeten worden geoordeeld, zijn gesteld noch gebleken.
Bij het voorgaande komt dat erflaatster de schulden uit hoofde van geldlening aan haar zonen vóór haar overlijden had kwijtgescholden.
Hetgeen is geoordeeld betekent dat de rechtbank in het tussenvonnis van 5 november 2014 ten onrechte heeft geoordeeld dat geïntimeerde kunnen verlangen dat op het aandeel van appellant in de nalatenschap de (niet meer afdwingbare) schulden uit geldlening worden toegerekend en dat het vonnis van 23 december 2015 zal worden vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat in het kader van de verdeling het door appellant nog niet terugbetaalde deel van de schulden aan voorheen erflaatster uit hoofde van geldlening behoort te worden verrekend met hetgeen hij uit hoofde van de verdeling zonder verrekening zou hebben ontvangen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over beheer en het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht of over de mogelijkheid van verrekening, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.