De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 18 mei 2022 uitspraak gedaan over de vraag of sprake van Paulianeus handelen door de benadeling van het verhaalsrecht van de schuldeisers van de nalatenschap.
In deze zaak gaat het om de geldvordering van eiser op moeder uit hoofde van de nalatenschap van vader.
Eiser wil als schuldeiser opkomen tegen de rechtshandelingen waardoor zijn verhaalsmogelijkheden worden beperkt.
Erfrecht. Geldvordering op nalatenschap van de erflater. Benadeling van schuldeisers. Beperking van verhaalsrecht. Is er sprake van Paulianeus handelen? Toetsingsnorm. Volledige proceskostenvergoeding?
De rechter oordeelt als volgt.
Is sprake van Paulianeus handelen?
Eiser kan als schuldeiser opkomen tegen rechtshandelingen waardoor hij in zijn verhaalsmogelijkheden is beperkt.
Dan moet worden voldaan aan de vereisten die artikel 3:45 BW (Pauliana) daarvoor stelt:
“1. Indien een schuldenaar bij het verrichten van een onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn, is de rechtshandeling vernietigbaar en kan de vernietigingsgrond worden ingeroepen door iedere door de rechtshandeling in zijn verhaalsmogelijkheden benadeelde schuldeiser, onverschillig of zijn vordering vóór of na de handeling is ontstaan.”
Het juridisch kader wordt verder bepaald door artikel 3:46 BW:
“Indien de rechtshandeling waardoor een of meer schuldeisers zijn benadeeld, is verricht binnen één jaar voor het inroepen van de vernietigingsgrond en de schuldenaar zich niet reeds voor de aanvang van die termijn tot die rechtshandeling had verplicht, wordt vermoed dat men aan beide zijden wist of behoorde te weten dat een zodanige benadeling het gevolg van de rechtshandeling zou zijn:
(…)
2. bij rechtshandelingen ter voldoening of zekerheidsstelling voor een niet opeisbare schuld
3. bij rechtshandelingen, door de schuldenaar die een natuurlijk persoon is, verricht met of jegens:
a. zijn echtgenoot, zijn pleegkind of een bloed- of aanverwant tot in de derde graad;”
Naar het oordeel van de rechtbank is aan de drie vereisten die artikel 3:45 BW stelt voldaan.
Dit wordt hieronder toegelicht.
Onverplichte rechtshandeling
Eiser stelt dat hij in zijn verhaalsmogelijkheid is beperkt omdat de geldvordering van gedaagde uit hoofde van de nalatenschap volledig is afgelost voordat deze opeisbaar was.
Daarnaast zijn er gelden en effecten die bestemd waren voor het aflossen van zijn vordering uit het vermogen van moeder overgemaakt naar rekeningen op naam van gedaagde.
De stellingen van eiser over de niet-opeisbaarheid van de geldvordering van gedaagde zijn juist.
Net als de geldvordering van eiser was die van gedaagde pas opeisbaar geworden nadat moeder was overleden.
De betaling van een niet-opeisbare schuld is een onverplichte rechtshandeling in de zin van de Pauliana-bepalingen.
De rechtbank verwijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 1987 (NJ 1987, 528).
Ook de schenkingen van moeder aan gedaagde op 27 mei 2016 (€ 125.304,00), op 7 december 2016 (€ 120.000,00) en in 2017 (€ 5.320,00) zijn onverplichte rechtshandelingen.
Wetenschap
Van wetenschap is sprake als ten tijde van de rechtshandeling de benadeling met een redelijke mate van waarschijnlijkheid was te voorzien.
Eiser heeft in dit verband verwezen naar de producties 17 en 18 bij dagvaarding.
Dit zijn aangiftes IB van moeder over de jaren 2016 en 2017.
Hieruit blijkt een zeer aanzienlijke afname van haar vermogen.
Op 1 januari 2016 bedroeg het vermogen nog € 1.712.708,-, op 1 januari 2017 € 158.243,-.
In dit jaar hebben diverse schenkingen aan gedaagde plaatsgevonden en ook is sprake geweest van de overdracht van vermogen via de rekeningen.
De rechtbank gaat er van uit dat moeder en gedaagde volledig op de hoogte waren van haar vermogenspositie en het bestaan van de geldvordering van eiser.
Naar het oordeel van de rechtbank was de benadeling van eiser voor hen te voorzien.
Eiser wijst in dit verband op de bewijsvermoedens van artikel 3:46 lid 2 en lid 3 BW en artikel 3:47 BW:
“In geval van benadeling door een rechtshandeling om niet, die de schuldenaar heeft verricht binnen één jaar vóór het inroepen van de vernietigingsgrond, wordt vermoed dat hij wist of behoorde te weten dat benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg van de rechtshandeling zou zijn.”
Tussen moeder en gedaagde was sprake van een familiaire band en de rechtshandelingen zijn verricht binnen een jaar voor de inroeping van de buitengerechtelijke vernietiging op 6 maart 2017.
Benadeling
Het gaat hierbij om het moment waarop eiser zijn rechten doet gelden. Dat toen sprake was van benadeling staat naar het oordeel van de rechtbank vast.
De rechtbank verwijst hiervoor naar het verloop van het vermogen van moeder zoals dat hiervoor is weergegeven.
Het was aan haar om de vorderingen van beide kinderen af te lossen.
Wat betreft de vordering van eiser kan hier niet aan worden voldaan.
Ook de vereffenaar heeft bevestigd dat de nalatenschap van moeder niet toereikend is om de geldvordering van eiser (volledig) te voldoen.
Dat is ook niet het geval als de rekeningen in aanmerking worden genomen.
De vereffenaar heeft verklaard dat de saldi op deze rekeningen in augustus 2020 in totaal € 361.649,75 bedroegen.
De conclusie is dat aan alle vereisten van artikel 3:45 BW is voldaan.
Volledige proceskostenvergoeding?
Eiser vordert dat gedaagde en moeder worden veroordeeld in de volledige proceskosten, nader op te maken bij staat.
Subsidiair vordert eiser dat zij in de forfaitaire kosten worden veroordeeld.
De rechtbank zal de forfaitaire kosten toewijzen.
Er is sprake van een lange en belastende procedure, niet alleen emotioneel maar ook financieel.
Eiser heeft zich door de houding van gedaagde en moeder genoodzaakt gezien een dagvaarding uit te brengen.
In procedures tussen familieleden is het uitgangspunt dat kosten worden gecompenseerd.
In dit geval zullen gedaagde en de vereffenaar echter in de kosten van eiser worden veroordeeld.
De vorderingen zijn namelijk gebaseerd op Paulianeus en onrechtmatig handelen en dus niet volledig gebaseerd op de familierechtelijke band tussen eiser, gedaagde en moeder.
Daarbij komt dat eiser (bijna) volledig in het gelijk wordt gesteld.
Naar het oordeel van de rechtbank is echter geen sprake van de “buitengewone omstandigheden” zoals vermeld in het door eiser genoemde arrest van de Hoge Raad (HR:2017:2366).
In dat verband wordt gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (HR:2012:BV7828).
Bij het aannemen daarvan past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.
Eiser stelt dat hij in zijn crediteurenpositie is benadeeld door gedaagde en moeder en door hen willens en wetens op enorme kosten is gejaagd.
Hoewel er sprake is geweest van onrechtmatig handelen jegens eiser, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat gedaagde en moeder op voorhand hadden moeten begrijpen dat hun stellingen geen enkele kans van slagen hadden en dat dit hen ervan had moeten weerhouden hun standpunt aan de rechter voor te leggen.
Gelet hierop acht de rechtbank een forfaitaire kostenveroordeling op zijn plaats.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.