Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een vordering uit de ouderlijke boedelverdeling al geheel was uitbetaald.
De vader van geïntimeerden (hierna : de erflater) is in 2007 overleden.
Hij was op dat moment, met uitsluiting van iedere huwelijksgemeenschap, getrouwd met de stiefmoeder.
Hij heeft zijn kinderen en de stiefmoeder , de stiefmoeder van de kinderen (geïntimeerden), als zijn enige erfgenamen achtergelaten.
Hij heeft tussen hen een ouderlijke boedelverdeling gemaakt en daarbij alle goederen van zijn nalatenschap toegedeeld aan de stiefmoeder onder de verplichting voor haar alle schulden van zijn nalatenschap en het successierecht over te nemen en aan de kinderen hun zuiver erfdeel in contanten uit te keren.
Die uitkeringen zijn in elk geval opeisbaar bij het overlijden van de stiefmoeder en dragen een rente van 9% per jaar.
Geïntimeerde stelt dat het vermogen in Zwitserland op 9 mei 2007 € 1.047.105 bedroeg (het gemiddelde van het saldo op 31 december 2006 en 31 december 2007).
Zij zou daarvan (op grond van en als onderdeel van haar vordering uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling) 1/4e of € 261.776 hebben moeten ontvangen.
Aan haar is minder betaald, namelijk € 181.666.
Dat betekent dat appellant als erfgenaam van erflaatster het meerdere nog aan haar moet betalen.
Dat meerdere heeft zij berekend op € 262.926,07 (stand 1 oktober 2019) te vermeerderen met de rente die na 1 oktober 2019 nog verschuldigd wordt.
De hoofdsom met rente bedroeg op 4 november 2009 volgens haar berekening € 320.643,33.
Na de betaling van € 181.666 op 4 november 2009 resteerde een hoofdsom van € 138.977,33 die door oprenting op 1 oktober 2019 € 262.926,07 is.
Appellant voert verweer.
Hij voert aan dat slechts 4/6e deel van het saldo op de bankrekening aan erflater toekwam.
Hij voert verder aan dat erflaatster en de drie kinderen (geïntimeerden) afspraken hebben gemaakt over de verdeling van het vermogen in Zwitserland en dat die afspraak behelst dat aan ieder van hen 1/6e van € 1.047.105 wordt uitgekeerd.
Dat is een bedrag van € 174.517 dat (met rente) in lijn is met het betaalde bedrag van € 181.666.
Die € 174.517 is ook het bedrag dat geïntimeerde in de Vaststellingsovereenkomst Vermogen in het Buitenland met de Belastingdienst opgeeft.
De Belastingdienst heeft het buitenlands vermogen van erflater volgens appellant verkeerd vastgesteld op € 1.002.478.
Appellant betwist ook de stelling van geïntimeerde dat erflaatster in Nederland aangifte voor het recht van successie zou doen van het buitenlands vermogen.
Erfrecht. Kindsdeel. Vordering uit ouderlijke boedelverdeling. Is de vordering uit de ouderlijke boedelverdeling geheel betaald? Vermogen op bankrekening in Zwitserland.
De rechter oordeelt als volgt.
Het hof gaat met geïntimeerde uit van de veronderstelling dat erflater wel rechthebbende was van het gehele bedrag dat op de bankrekening stond.
Het hof gaat ook met geïntimeerde uit van de veronderstelling dat de kwijting in de onderhandse akte die geïntimeerde in 2010 heeft getekend alleen ziet op de afwikkeling van de nalatenschap in Nederland.
Wat is dan de omvang van de vordering van geïntimeerde en wat zou zij nog van appellant kunnen vorderen?
Erflater heeft in zijn testament de regels gegeven voor de berekening van die vordering.
In dat geval zou de vordering van geïntimeerde op erflaatster, voor zover die is gerelateerd aan het Zwitserse vermogen, € 261.776 hebben bedragen.
Daarop zou dan nog wel het ter zake van die verkrijging verschuldigde successierecht in aftrek moeten komen.
De totale verkrijging voor het successierecht zou dan bedragen:
€ 60.166 + € 261.776 = € 321.942.
Het successierecht daarover berekend naar de tarieven van 2007 is in totaal: € 49.041.
De vordering van geïntimeerde is dan: € 321.942 – € 49.041 = € 272.901.
Daarvan zal het Nederlandse deel van € 60.166 in 2010 worden betaald.
Het Zwitserse deel van de vordering uit de ouderlijke boedelverdeling is dan:
€ 272.901 – € 60.166 = € 212.735.
Op 4 november 2009 zou deze Zwitserse hoofdsom met rente € 260.469 bedragen (rente € 47.734).
Er resteert dan op 4 november 2009 na de betaling van € 181.666 een restant hoofdsom van € 78.803.
Dit bedrag is door oprenting op 1 oktober 2019 € 149.084 (rente € 70.281).
Als geïntimeerde nog iets te vorderen zou hebben van appellant zou het ten hoogste dit bedrag van € 149.084 zijn (te vermeerderen met de rente vanaf 1 oktober 2019).
Het staat vast dat de erfgenamen de vordering niet hebben vastgesteld op de manier zoals door de erflater is bepaald en hiervoor is geschetst.
Zij hebben het anders gedaan.
Aan ieder van hen is € 181.666 betaald en niet € 212.735 met rente.
Daarvan hebben zij niets op papier gezet.
Appellant’ stelling komt erop neer dat daarmee de kous af was; dit was voor de erfgenamen een finale regeling.
Het hof volgt appellant in die stelling; geïntimeerde heeft dat onvoldoende betwist.
Uit de gedragingen van geïntimeerde is af te leiden dat met de uitkering van € 181.666 in 2009 de ‘verdeling’ van het buitenlandse vermogen klaar was; daar mocht erflaatster ook op vertrouwen.
Daarmee staat ook vast dat geïntimeerde en erflaatster om het in juridische termen te zeggen zijn overeengekomen dat met de betaling van € 181.666 de vordering uit de ouderlijke boedelverdeling voor zover die is gerelateerd aan het Zwitserse vermogen is voldaan.
Geïntimeerde wist immers in 2009 wat de omvang van het Zwitsers vermogen was.
Zij heeft zich bij de betaling van het bedrag van € 181.666 gerealiseerd dat (om het in haar eigen woorden te zeggen): “het bedrag dat zij heeft ontvangen, lager is dan het bedrag dan waar zij op grond van het saldo van de nalatenschap (buitenlandse deel) recht op had”.
Zij heeft daarmee toen genoegen genomen en niet laten weten dat zij deze betaling als een deelbetaling beschouwde en het meerdere later zou opeisen.
Dat geïntimeerde heeft gemeend dat erflaatster het successierecht dat over die verkrijging was verschuldigd, komt het hof niet geloofwaardig voor.
Het Zwitserse vermogen was buiten het zicht van de Belastingdienst gehouden en niets wijst erop dat erflaatster of geïntimeerde of een van de andere erfgenamen in 2009 het voornemen had een nadere aangifte voor het successierecht te doen en het zwarte vermogen alsnog wit te maken.
Het hof is van oordeel dat het geïntimeerde niet vrij staat zomaar af te wijken van de finale regeling die in 2009 is getroffen.
Zij heeft die overeenkomst niet ontbonden of vernietigd.
Zij heeft geen andere reden aangevoerd waarom deze overeenkomst haar niet meer bindt.
Dat de Belastingdienst alsnog de successierechten die geïntimeerde verschuldigd is over haar Zwitserse verkrijging heeft nagevorderd is niet zo’n reden.
Die heffing staat los van de betaling die zij heeft gehad en die zij heeft geaccepteerd. In haar vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst van oktober 2018 heeft geïntimeerde zelf haar Zwitserse verkrijging opgegeven voor een bedrag van € 174.517.
Daaruit volgt dat zij in elk geval ten opzichte van de Belastingdienst uitging van een bedrag dat veel dichter bij de betaalde € 181.666 lag dan bij een bedrag van € 261.776.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.