Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 14 december 2021 uitspraak gedaan over de vraag of de afspraken over verrekeningen bij ongehuwd samenwonen nietig waren vanwege strijd met de goede zeden.
Geïntimeerden zijn de kinderen van de erflaatster.
Zij was gehuwd met B, overleden in 1975.
Appellanten zijn de kinderen van A.
A en de erflaatster hebben in 1981 een affectieve relatie gekregen en zijn in juli 1983 gaan samenwonen, in het huis van de erflaatster.
Appellanten hebben in hoger beroep vijftien grieven (bezwaren) aangevoerd tegen het vonnis van de rechtbank.
Deze procedure gaat over de vraag of appellanten aanspraak hebben op betaling door geïntimeerden van een bedrag uit de nalatenschap van hun moeder, de erflaatster.
Appellanten beroepen zich voor die aanspraak op “verrekeningen” die de erflaatster zou zijn overeengekomen met de vader van appellanten, A , in de periode dat zij met elkaar ongehuwd samenleefden.
De rechtbank heeft de vordering van appellanten afgewezen op de grond dat de “verrekeningen” nietig zijn, want in strijd met de goede zeden.
Appellanten zijn het met dat oordeel niet eens.
Het hof komt tot het oordeel dat de rechtbank de vorderingen van appellanten ten onrechte heeft afgewezen.
Erfrecht. Erflater en erflaatster hebben affectieve relatie gehad en hebben afspraken gemaakt over verrekening van kosten. Zijn deze afspraken in strijd met de goede zeden en daarom nietig?
De rechter oordeelt als volgt.
De opstelling en ondertekening van de verrekenstaten en de samenlevingsovereenkomst vormen rechtshandelingen als bedoeld in artikel 3:40 BW.
Voor nietigheid daarvan wegens strijd met de goede zeden moet sprake zijn van strijd met fundamentele (morele) beginselen van de rechtsorde of met algemene (morele) belangen van fundamentele aard.
Het hof is niet gebleken dat daar in dit geval sprake van is.
Anders dan de rechtbank leidt het hof uit de verrekenstaten niet af dat A daarmee beoogd heeft of lijkt te hebben om het vermogen van de erflaatster geleidelijk over te hevelen naar hemzelf.
De hoofdmoot van de schuld uit de verrekeningsverklaringen wordt gevormd door bedragen die A aan de erflaatster heeft geleend voor de (studie)kosten van haar kinderen, (verre) reizen en uitgaven voor luxe goederen (zoals een caravan en een auto).
Niet is (gemotiveerd) betwist dat die uitgaven inderdaad zijn gedaan, zodat daar van kan worden uitgegaan.
Dat A het geleende geld terug wilde hebben (met rente) en dat hij kennelijk verlangde dat de erflaatster voor de helft zou bijdragen in de bijzondere uitgaven, acht het hof niet in strijd met de goede zeden.
Ook niet als de verdeling bij helfte van de bijzondere uitgaven niet zou stroken met het in de samenlevingsovereenkomst vastgelegde uitgangspunt dat de kosten van de gemeenschappelijke huishouding zouden worden gedragen naar evenredigheid van ieders netto-inkomen.
De erflaatster en A hadden de (contracts)vrijheid om in de praktijk van dat uitgangspunt af te wijken.
Dat spreekt nog meer nu de verrekenstaten hoofdzakelijk zien op bijzondere, niet-dagelijkse uitgaven.
Bovendien hebben de verrekenstaten voor het merendeel betrekking op uitgaven gedaan vóór de ondertekening van de samenlevingsovereenkomst.
In die overeenkomst wordt vermeld dat de schuld van € 104.000,- voortvloeit uit eerder gemaakte afspraken over de verdeling van de kosten van de huishouding.
Wat die afspraken inhielden wordt verder niet benoemd.
Daarmee kan niet worden vastgesteld dat het bedrag van € 104.000,- niet met die afspraken strookte.
De bepalingen uit boek 1 BW over de verdeling van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding waren verder niet van toepassing nu de erflaatster en A niet gehuwd waren of een geregistreerd partnerschap hadden.
Opgemerkt wordt dat volgens de verrekenstaten de erflaatster zich voor de helft heeft ingekocht in de levensverzekeringen van A.
Dat de bedoeling daarvan was om vermogen van de erflaatster over te hevelen naar A blijkt daaruit op zichzelf echter nog niet.
Onduidelijk is weliswaar gebleven waarom die inkoop heeft plaatsgevonden en hoe de inkomsten uit die levensverzekeringen in de periode 1993-2003 zijn aangewend, maar op zichzelf valt (bepaald) niet uit te sluiten dat A daarmee ook het belang van de erflaatster heeft willen dienen.
In dat verband wordt opgemerkt dat de erflaatster in ieder geval op de levensverzekering bij Nationale Nederlanden ook als verzekerde is vermeld.
De grieven van appellanten tegen het oordeel van de rechtbank dat de verrekeningen volgens de verrekenstaten, zoals vastgelegd in de samenlevingsovereenkomst, in strijd zijn met de goede zeden, slagen dus.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over nietigheid van rechtshandelingen in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.