De Rechtbank Rotterdam heeft op 4 mei 2022 uitspraak gedaan over de vraag of een erfgenaam onwaardig was om te erven.
Eisers hebben de procedure opgestart met de inleidende dagvaarding van 12 februari 2018.
Zij hebben primair gevorderd om voor recht te verklaren dat gedaagde (hierna: vader) van rechtswege onwaardig is om uit de nalatenschap van erflaatster voordeel te trekken omdat hij onherroepelijk is veroordeeld wegens een opzettelijk tegen erflaatster gepleegd misdrijf waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier jaren (artikel 4:3 lid 1 sub b BW).
Zoals in het vonnis in het incident van 19 september 2018 onder de omschrijving van het geschil is opgenomen, stellen eisers dat vader zich gedurende het huwelijk tussen hem en erflaatster veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan mishandeling en bedreiging van erflaatster, daarvoor op 6 juli 2005 onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld, dat erflaatster en vader al sinds 2000 niet meer samenwoonden, maar dat vader desondanks erflaatster bleef stalken, mishandelen, bedreigen en dwingen tot seksueel contact.
Ook stellen eisers dat erflaatster uit angst voor vader geregeld bij familie verbleef en dat zij een echtscheidingsprocedure wilde entameren, maar dat zij overleed voordat haar advocaat het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank kon indienen.
Eisers achten vader daarom onwaardig om van erflaatster te erven.
Gedaagden betwisten dat vader onwaardig zou zijn om van erflaatster te erven.
Ten eerste betwisten zij dat sprake is geweest van een opzettelijk tegen erflaatster gepleegd misdrijf.
Vader heeft niet met voorbedachte rade erflaatster opzettelijk mishandeld.
De mishandeling heeft volgens vader plaatsgevonden in een opwelling tijdens een echtelijke ruzie.
Daarnaast stellen gedaagden dat de ernst van de mishandeling voor de politierechter geen aanleiding is geweest om een zware gevangenisstraf op te leggen.
De veroordeling tot een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf voldoet volgens gedaagden niet aan het criterium van artikel 4:3 lid 1 sub b BW.
Indien hetgeen waartoe vader is veroordeeld wél aan het criterium van dat artikel mocht voldoen, dan beroepen gedaagden zich op artikel 4:3 lid 3 BW.
Op grond van dat artikellid vervalt de onwaardigheid wanneer de erflater de onwaardige op ondubbelzinnige wijze zijn gedraging heeft vergeven.
Erfrecht. Onwaardig verklaring van een erfgenaam? Is de erfgenaam onwaardig om te erven? Strafrecht. Veroordeling voor misdrijf. Ondubbelzinnige vergeving door de erflaatster? Bewijslast.
De rechter oordeelt als volgt.
Op grond van artikel 4:3 lid 1 sub b BW is van rechtswege onwaardig om uit een nalatenschap voordeel te trekken hij die onherroepelijk is veroordeeld wegens een opzettelijk tegen de erflater gepleegd misdrijf waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier jaren, dan wel wegens poging tot, voorbereiding van, of deelneming aan een dergelijk misdrijf.
Niet in geschil is dat vader bij vonnis van 6 juli 2005 onherroepelijk is veroordeeld wegens gekwalificeerde mishandeling jegens erflaatster (twee maal) en wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (twee maal).
Evenmin is in geschil dat sprake is van meerdaadse samenloop van mishandeling van een echtgenoot en bedreiging (artikelen 57, 300, 304 en 285 Wetboek van Strafrecht).
De rechtbank volgt in dezen eisers waar zij zich op het standpunt stellen dat de hoogte van de straf die als gevolg van een gepleegd misdrijf kan worden opgelegd (en die kan leiden tot een onwaardigverklaring) dient te worden beoordeeld ten tijde van het overlijden en niet ten tijde van de veroordeling voor het misdrijf.
Op het moment van overlijden van erflaatster kon voor mishandeling van een echtgenoot ten hoogste vier jaar worden opgelegd (art. 300 lid 1 jo art. 304 lid 1 onder 1 Sr) en voor bedreiging ten hoogste twee jaar (art. 285 lid 1 Sr).
Gelet op de meerdaadse samenloopregeling kon voor de beide misdrijven gezamenlijk maximaal vijf jaar en vier maanden worden opgelegd (art. 57 lid 2 Sr).
Vader, die aldus een misdrijf heeft gepleegd als bedoeld in artikel 4:3 lid 1 sub b BW, is van rechtswege onwaardig om te erven.
Ondubbelzinnige vergeving
Ten aanzien van het (subsidiaire) beroep van gedaagden op artikel 4:3 lid 3 BW overweegt de rechtbank als volgt.
Een onwaardigheid vervalt, wanneer de erflater aan de onwaardige op ondubbelzinnige wijze zijn of haar gedraging heeft vergeven.
De wetgever heeft geen vormvoorschriften of materiele eisen gesteld waaraan de vergiffenis moet voldoen.
De vraag is dus of sprake is van ondubbelzinnige vergeving van erflaatster jegens vader.
Gedaagden voeren hiervoor onder meer aan dat erflaatster vader niet heeft verlaten, ze zijn blijven samenwonen, sociale activiteiten gezamenlijk bezochten en een affectieve relatie onderhielden.
Vader betwist dat hij met een andere vrouw zou hebben samengewoond.
Dat hij vanaf 15 augustus 2005 stond ingeschreven op het adres te Rotterdam, was alleen uit fiscale overwegingen.
Ter onderbouwing van hun verweer hebben gedaagden schriftelijke verklaringen overgelegd van twee getuigen.
Daarnaast hebben zij bewijs door middel van het horen van andere getuigen aangeboden.
Omdat eisers het verweer van gedaagden dat sprake is geweest van vergeving gemotiveerd hebben weersproken, rust ingevolge de hoofdregel in artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op gedaagden de bewijslast van hun stelling dat sprake is geweest van vergiffenis door erflaatster van de misdrijven waarvoor vader door de politierechter is veroordeeld.
De rechtbank zal gedaagden dan ook toelaten tot het door hen aangeboden bewijs van hun stelling dat erflaatster vader ondubbelzinnig heeft vergeven voor zijn misdrijven jegens haar.
Indien gedaagden niet slagen in het bewijs kan vader geen erfgenaam zijn.
Dit houdt in dat eisers en gedaagde tezamen erfgenaam zijn van erflaatster.
Uit het afschrift uit het boedelregister blijkt dat eisers op 14 maart 2016 en gedaagde op 18 mei 2016 de nalatenschap van erflaatster beneficiair hebben aanvaard.
Het verweer van gedaagden dat eisers de nalatenschap zuiver hebben aanvaard wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen.
De erfgenamen zullen de nalatenschap gezamenlijk moeten vereffenen.
Indien gedaagden wel slagen in het bewijs is vader samen met eisers en gedaagde erfgenaam en hebben eisers en gedaagde volgens het wettelijke versterferfrecht een niet-opeisbare vordering op vader.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.