Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of er een juridische grondslag bestond in het testament voor het toekennen van een vordering tot zekerheidsstelling voor de niet-opeisbare vordering uit de nalatenschap.

De vader van appellant is in 1998 overleden.

Geïntimeerde is de weduwe van de vader van appellant.

Uit de nalatenschap van zijn vader heeft appellant een vordering ontvangen van ruim fl. 198.000,-, te vermeerderen met rente, die pas opeisbaar is bij het overlijden van geïntimeerde.

Appellant vordert zekerheidsstelling voor de voldoening van zijn vordering van geïntimeerde en heeft beslag gelegd op de woning van geïntimeerde.

De rechtbank heeft de vordering van appellant afgewezen, het beslag opgeheven en een verklaring voor recht gegeven over de hoogte van de erfrechtelijke aanspraak van appellant.

Met dit hoger beroep beoogt appellant alsnog zekerheidsstelling door geïntimeerde af te dwingen.

Erfrecht. Ouderlijke boedelverdeling. Erfgenaam vordert zekerheidsstelling voor zijn niet-opeisbare vordering uit nalatenschap. Bestaat daarvoor een juridische grondslag in het testament?

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof zal oordelen dat noch het hoger beroep van appellant, noch dat van geïntimeerde doelt treft en daarom de beslissing van de rechtbank in stand laten.

Het hof legt hierna uit hoe het tot dat oordeel komt.

Juridische grondslag voor zekerheidsstelling

Appellant vordert van geïntimeerde zekerheidsstelling voor de voldoende van de vordering die hij op haar heeft uit hoofde van de verdeling van de nalatenschap van erflater, zijn vader.

Van het vermogen dat geïntimeerde in 1998 uit de nalatenschap van erflater heeft ontvangen is vrijwel niets meer over, aldus appellant, zodat hij belang heeft bij (aanvullende) zekerheidsstelling.

De vraagt rijst wat de juridische grondslag is voor een dergelijke zekerheidsstelling.

In de toelichting op zijn eerste grief stelt appellant dat het op grond van de inhoud van het testament de verantwoordelijkheid van geïntimeerde is om ervoor te zorgen dat bij haar overlijden de erfdelen van de kinderen, vermeerderd met 6% rente, uitgekeerd zouden kunnen worden.

Het hof volgt appellant daarin niet.

Het testament van erflater en de na diens overlijden tussen de erfgenamen opgemaakte akte van verdeling bieden naar het oordeel van het hof geen grondslag voor zekerheidsstelling.

Het testament bepaalt zelfs uitdrukkelijk dat geïntimeerde ontheven wordt van de verplichting om zekerheid te stellen.

Op basis van de door erflater in zijn testament gemaakte ouderlijke boedelverdeling kwamen alle activa van de nalatenschap toe aan geïntimeerde.

In ruil daarvoor moest zij alle passiva van de nalatenschap voor haar rekening nemen en aan de kinderen van erflater – onder wie appellant – schuldig erkennen een bedrag gelijk aan ieders erfdeel.

De vorderingen van de kinderen uit overbedeling zijn echter pas opeisbaar bij – voor zover hier van belang – het overlijden van geïntimeerde.

Anders dan appellant, ziet het hof hierin op geen enkele wijze een verplichting voor geïntimeerde om het vermogen dat zij uit de nalatenschap van erflater heeft ontvangen dusdanig in stand te houden dat er bij haar overlijden voldoende vermogen aanwezig zal zijn om daaruit de vorderingen van de kinderen te kunnen voldoen.

Ook het door erflater aan geïntimeerde toegekende recht van vruchtgebruik op de erfdelen van de kinderen leidt niet tot dat oordeel, al was het maar omdat het vruchtgebruik nooit is gevestigd.

In de akte van verdeling wordt het recht van vruchtgebruik niet vermeld.

In die akte spraken de erfgenamen af dat, tegenover het feit dat de kinderen zouden berusten in de testamentaire beschikkingen, over hun niet-opeisbare vordering een enkelvoudige rente van 6% zou worden vergoed.

Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij destijds inderdaad akkoord is gegaan met zijn niet-opeisbare erfdeel en daarvoor heeft getekend, omdat hij dan genoemde rentevergoeding zou ontvangen.

Daarmee heeft appellant naar het oordeel van het hof ook berust in het feit dat geïntimeerde volgens het testament geen zekerheid hoefde te stellen.

Een grondslag voor zekerheidsstelling dan wel het leggen van conservatoir beslag zou nog gelegen kunnen zijn in het feit dat geïntimeerde bij het beheer van het vermogen misbruik van bevoegdheid maakt, bijvoorbeeld door appellant op ongeoorloofde wijze achter te stellen bij de andere kinderen.

Appellant stelt dit het geval is.

Ter onderbouwing van zijn stelling wijst appellant erop dat hij binnen de familie altijd, ook al tijdens het leven van erflater, als enige zoon van een andere moeder, een achtergestelde positie had en dat dit na het overlijden van erflater steeds zo is gebleven.

Hij vermoedt dat de andere kinderen schenkingen of giften van geïntimeerde hebben ontvangen en dat die mede de oorzaak van de vermogensvermindering zijn geweest.

Dit vermoeden baseert appellant mede op wat hij hierover van zijn in Zweden woonachtige halfzus heeft gehoord.

Geïntimeerde betwist dit alles.

De vermogensvermindering vindt haar oorzaak niet in schenkingen of giften aan de andere kinderen, maar vooral in het feit dat zij in de ruim 25 jaar die zij de erflater nu heeft overleefd geen andere inkomsten had dan alleen een AOW-uitkering.

Zij had het vermogen dan ook nodig om in haar levensonderhoud te voorzien.

In het licht van deze betwisting oordeelt het hof dat appellant onvoldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat geïntimeerde bij het beheer van het vermogen misbruik maakt of heeft gemaakt van haar bevoegdheid.

Dat laat echter onverlet dat het hof begrip heeft voor het gevoel van achterstelling bij appellant, een gevoel dat hij ter zitting op authentieke wijze heeft verwoord.

Dat gevoel laat bij hem diepe sporen van verdriet, miskenning en onrechtvaardigheid na, en dat is begrijpelijk.

Een verplichting voor geïntimeerde tot het stellen van zekerheid volgt hieruit echter niet.

De conclusie is dan ook dat er geen grondslag aanwezig is voor het toekennen van de vordering van appellant tot zekerheidsstelling door geïntimeerde.

Het hof zal deze vordering daarom afwijzen.

Hoewel appellant terecht heeft betoogd dat de Hoge Raad heeft toegestaan dat onder omstandigheden ook voor een niet-opeisbare vordering conservatoir beslag kan worden gelegd, ziet het hof daarvoor in de omstandigheden van dit geval geen ruimte.

Vast is immers komen te staan dat op geïntimeerde geen enkele verplichting tot het stellen van zekerheid rust en dat zij evenmin bij het beheer van het vermogen misbruik maakt van haar bevoegdheid.

Ook voor het mogen leggen van conservatoir beslag ontbreekt daarmee een grondslag en het hof zal daarom ook deze vordering afwijzen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.