De Rechtbank Noord-Nederland heeft op 1 juni 2022 uitspraak gedaan over het recht op informatie en het recht op afgifte en inzage van bescheiden in het kader van een afwikkeling van een ouderlijke boedelverdeling.

Deze zaak heeft betrekking op de nalatenschap van de in 2020 overleden mevrouw A, hierna te noemen: erflaatster.

Haar echtgenoot en hun drie kinderen (eisers in de hoofdzaak en in het incident) zijn de gezamenlijke erfgenamen.

Erflaatster heeft bij testament beschikt over haar nalatenschap met een ouderlijke boedelverdeling op grond van artikel 4:1167 lid 4 OBW.

De gedaagde heeft zijn benoeming tot (vervangend) executeur aanvaard.

Eiseres vordert in de hoofdzaak dat haar erfrechtelijke aanspraken uit hoofde van de nalatenschap van haar moeder worden vastgesteld.

In het incident vordert eiseres dat haar vader en broers bij wijze van voorlopige voorziening worden veroordeeld tot het verstrekken van bankrekeningafschriften, belastingaangiften, een maatschapsovereenkomst en jaarrekeningen.

Daarnaast vordert zij dat gedaagde in zijn hoedanigheid van executeur wordt veroordeeld tot het verstrekken van een boedelbeschrijving.

De eiseres baseert haar incidentele vorderingen op artikel 3:15j sub a BW, artikel 3:166 lid 3 BW, artikel 6:2 BW, artikel 843a Rv en, ten aanzien van de gedaagde zijn hoedanigheid van executeur, ook op artikel 4:148 BW.

Het gaat volgens eiseres om vorderingen tot het treffen van een voorlopige voorziening binnen het kader van een bodemprocedure als bedoeld in artikel 223 Rv.

Erfrecht. Recht op informatie over een nalatenschap. Incidentele vordering van een deelgenoot tot de afgifte van bescheiden in het kader van de afwikkeling van een ouderlijke boedelverdeling. Executeur.

De rechter oordeelt als volgt.

De voorlopige voorziening is een ordemaatregel.

De voorziening geldt slechts voor de duur van het geding, dat wil zeggen tot het moment waarop uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan.

De incidentele vorderingen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als dergelijke (provisionele) vorderingen.

De vorderingen kunnen niet worden beschouwd als voorzieningen die slechts werking hebben voor de duur van het geding.

Aan de vordering tot afgifte is immers onomkeerbaar voldaan, zodra aan eiseres een afschrift van de betreffende bescheiden wordt verschaft.

Het andersoortige karakter van de vorderingen verandert niet door de stelling van eiseres dat bankafschriften niet onbeperkt opvraagbaar zijn en dat er een wettelijke bewaarplicht bestaat.

Met het voorgaande is het incident niet van de baan.

Tussen partijen staat namelijk niet ter discussie dat de uit de betreffende bescheiden te verkrijgen informatie van belang kan zijn voor het verdere verloop van de procedure in de hoofdzaak, meer in het bijzonder voor de vaststelling van de erfrechtelijke aanspraken van eiseres.

Gedaagde heeft in zijn verweer aangekondigd in de hoofdzaak een boedelbeschrijving met verificatoire bescheiden in het geding te zullen brengen.

De rechtbank leidt hieruit af dat eiseres kennelijk beoogd heeft om incidentele vorderingen in te stellen met het oog op de instructie van de zaak en dat gedaagde deze vorderingen ook als zodanig heeft opgevat.

Volgens vaste rechtspraak kan een dergelijke (exhibitie)vordering ook als incidentele vordering in een lopende procedure als bedoeld in artikel 208 Rv worden ingesteld.

Daarmee staat de rechtbank voor de vraag of eiseres recht heeft op een afschrift van de bescheiden.

Van alle door eiseres genoemde wettelijke grondslagen heeft artikel 843a Rv een ruim toepassingsbereik, zodat de rechtbank daarmee zal beginnen.

Genoemd wetsartikel stelt het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk van een aantal cumulatieve vereisten.

De eiser moet een rechtmatig belang hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel en hij moet inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is of was.

Tussen partijen staat niet zozeer ter discussie dat uit de ouderlijke boedelverdeling in het testament van erflaatster voortvloeit dat partijen als erfgenamen jegens elkaar gehouden zijn tot het opmaken van een boedelbeschrijving ten tijde van het overlijden van erflaatster van zowel de huwelijksgoederengemeenschap (waarin erflaatster en gedaagde waren gehuwd) als de daarvan deel uitmakende nalatenschap, zodat aan de hand daarvan de omvang van de vorderingen van eiseres jegens gedaagden kunnen worden vastgesteld.

De rechtbank is mede gelet hierop van oordeel dat eiseres op grond van artikel 843a Rv voldoende recht en belang heeft bij een afschrift van de door haar in het petitum gevraagde stukken.

In dit verband merkt de rechtbank op dat eiseres niet alleen afschrift van bescheiden met betrekking tot de huwelijksgoederengemeenschap en de nalatenschap vordert, maar ook afschrift van bescheiden met betrekking tot de stille maatschap tussen gedaagde en zijn zoons.

Ook daar heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank voldoende recht en belang bij, omdat volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer de arresten van 15 januari 1961 en 3 mei 1968) volgt dat de waarde van het maatschapsaandeel van gedaagde in de huwelijksgoederengemeenschap valt.

Gedaagde heeft hier overigens ook geen verweer tegen gevoerd.

De eerste incidentele vordering ligt daarmee in beginsel voor toewijzing gereed, althans voor zover het gaat om stukken ten tijde van het overlijden van erflaatster (21 december 2020).

Volgens eiseres dient zij ook te beschikken over bescheiden die betrekking hebben op de vijf voorgaande jaren, omdat het volgens haar “volstrekt onduidelijk is waar het vermogen van vader en moeder is gebleven”.

Omdat gedaagde hier geen inhoudelijk verweer tegen heeft gevoerd, zal de rechtbank de uit te spreken veroordeling laten uitstrekken over de periode vanaf 1 januari 2015 tot en met 21 december 2020, respectievelijk de jaren 2015 tot en met 2020.

Het verweer van gedaagde dat hij (sinds de aanvaarding van zijn executeursbenoeming op 6 december 2021) onvoldoende tijd heeft gehad om een boedelbeschrijving op te stellen en om het een en ander uit te zoeken, ontslaat hem niet van zijn verplichting om alsnog binnen een redelijke termijn openheid van zaken te geven.

Voorts acht de rechtbank de enkele ontkenning door gedaagde dat hij de door eiseres gevraagde stukken onder zich heeft, niet geloofwaardig.

Gedaagde kan geacht worden om als executeur van zijn moeder, als gevolmachtigde en belangenbehartiger van zijn vader én als vennoot in de stille maatschap te beschikken over de bankafschriften van zijn beide ouders, de belastingaangiften van zijn vader, de maatschapsovereenkomst en de jaarrekeningen van de stille maatschap, althans om de beschikking daarover te kunnen verkrijgen via derden zoals zijn vader en broer, de bank en de belastingdienst.

Gedaagde heeft niet nader toegelicht waarom dit anders zou zijn.

De eiseres vordert ook dat gedaagde (in zijn hoedanigheid van executeur) haar een boedelbeschrijving verstrekt.

De rechtbank overweegt dat gedaagde op grond van artikel 4:146 lid 2 BW als executeur van de nalatenschap gehouden is om met bekwame spoed een boedelbeschrijving met inbegrip van een voorlopige staat van de schulden van de nalatenschap op te maken.

Vast staat dat hij dit tot op heden nog niet heeft gedaan.

De rechtbank begrijpt de stellingen van partijen aldus, dat eiseres kennelijk vordert dat gedaagde alsnog een boedelbeschrijving opmaakt en deze vervolgens aan haar verstrekt en dat gedaagde hier ook uitvoering aan wenst te geven.

De tweede incidentele vordering ligt daarmee ook voor toewijzing gereed.

De rechtbank zal met het oog op de instructie van de zaak de incidentele vorderingen toewijzen zoals omschreven in het dictum.

Daarbij zal de rechtbank gedaagde tijd gunnen om zijn ‘huiswerk’ te doen en bepalen dat hij uiterlijk bij het indienen van de conclusie van antwoord in de hoofdzaak een afschrift van de betreffende stukken in het geding moet brengen.

Gedaagde kan de stukken desgewenst ook op andere wijze aan eiseres verstrekken en deze bij afzonderlijke akte in de hoofdzaak indienen.

Mocht tegen die tijd aan gedaagde blijken dat hij niet in staat is bepaalde stukken over te leggen omdat hij deze niet onder zich heeft en ook niet redelijkerwijs via derden heeft kunnen verkrijgen, dient hij dat gemotiveerd toe te lichten in zijn conclusie van antwoord en dit zoveel mogelijk te staven met bewijsmiddelen waaruit volgt waarom stukken ontbreken.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een ouderlijke boedelverdeling, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.