De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 13 juli 2022 uitspraak gedaan over het recht op informatie van een legataris.
Gedaagde en B zijn kinderen uit het huwelijk van erflater en A.
B is in 2018 overleden.
Erflater heeft voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt door middel van een testament van oktober 2019.
Gedaagde is door erflater tot enig erfgenaam benoemd.
Erflater heeft gedaagde, echtgenoot van overige gedaagde, tot testamentair executeur benoemd.
Gedaagde heeft zijn benoeming tot executeur aanvaard zo blijkt uit de verklaring van executele van 20 januari 2020.
Erfrecht. Recht op informatie van een legataris. Vordering van legataris tot het verkrijgen van informatie over legaat van een vast geldbedrag. Beneficiaire aanvaarding en vereffening.
De rechter oordeelt als volgt.
De wet geeft aan een aantal belanghebbende bij een nalatenschap een recht op informatie.
Zo bepaalt artikel 4:78 BW dat een legitimaris (iemand die recht heeft op een legitieme portie) die niet ook erfgenaam is, recht heeft op informatie die nodig is voor de berekening van zijn legitieme portie.
Hetzelfde recht is in artikel 4:39 BW toegekend aan bepaalde andere wettelijke schuldeisers van de nalatenschap (niet zijnde legatarissen).
Erfgenamen hebben recht op informatie tegenover een executeur (op grond van artikel 4:148 BW) en tegenover hun mede-erfgenamen (op grond van artikel 3:166 lid 3 BW jo 6:2 BW).
Voor legatarissen bestaat echter niet een wettelijk voorgeschreven recht op informatie tegenover diegene die is belast met het beheer of vereffening van de nalatenschap.
In de rechtspraak1 is wel geoordeeld dat een legataris in sommige gevallen recht heeft op specifieke informatie.
Het gaat dan om de situatie waarin een legataris informatie nodig heeft om de hoogte van zijn vorderingsrecht vast te stellen.
Dat kan zich voordoen als het betreffende legaat niet uit een vast bedrag bestaat, maar afhankelijk is van één of meer variabelen, bijvoorbeeld als het legaat bestaat uit een bedrag in geld dat gelijk is aan het bedrag van de legitieme portie of het erfdeel als de legataris erfgenaam zou zijn.
Een legataris kan onder omstandigheden jegens een executeur, vereffenaar of erfgenaam aanspraak maken op bepaalde informatie, als die informatie onontbeerlijk is om de hoogte van het vorderingsrecht van de legataris vast te kunnen stellen.
Deze situatie doet zich in dit geval niet voor.
In het testament heeft erflater aan eiser een vast bedrag gelegateerd.
De hoogte van de vordering van eiser uit hoofde van het legaat is niet afhankelijk van bepaalde variabelen.
Eiser heeft dan ook geen recht op informatie zoals bedoeld in de hiervoor genoemde rechtspraak, omdat eiser geen nadere informatie nodig heeft om de hoogte van het aan haar toegekende legaat te kunnen vaststellen.
De verminderings-bepaling van lid 4 van artikel 4 van het testament maakt dit niet anders, omdat volgens de opgave van gedaagde de nalatenschap dermate negatief is dat aan betaling van legaten überhaupt niet kan worden toegekomen.
In deze procedure gaat het om het bepalen van de omvang van de nalatenschap in het kader van de vereffening van de nalatenschap.
Het uitgangspunt is dat de krachtens de wet aangestelde vereffenaar onderzoek naar de activa en passiva van de nalatenschap, een boedelbeschrijving opstelt of laat opstellen door een boedelnotaris en ten slotte een uitdelingslijst opstelt, een en ander zoals bepaald in Afdeling 3 van Titel 6 van Boek 4 BW.
Anders dan inzage in de boedelbeschrijving en de uitdelingslijst, geeft de wet aan individuele schuldeisers (zoals een legataris) geen specifieke informatierechten ten opzichte van de vereffenaar in het kader van de vereffening.
Hoewel eiser daar niet een expliciet beroep op doet, kan artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (“Rv”) niettemin een grondslag bieden om informatie te verkrijgen.
Artikel 843a Rv geeft niet een algemeen en onbeperkt recht op inlichtingen.
Een vordering op grond van artikel 843a Rv kan alleen worden toegewezen indien aan de volgende cumulatieve eisen wordt voldaan:
(a) de eiser heeft een rechtmatig belang bij de vordering;
(b) de vordering heeft betrekking op bepaalde bescheiden;
(c) degene van wie de bescheiden worden gevraagd heeft daarover de beschikking of onder berusting; en
(d) de bescheiden hebben betrekking op een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.
Het ligt op de weg van de partij die informatie verlangt om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan.
Van de verzoekende partij wordt verwacht dat zij aanvoert waarom een redelijke grond bestaat dat de ander over de verzochte informatie beschikt en dat zij voldoende concreet vermeldt waarom die informatie relevant bewijs kan leveren van haar rechtspositie.
Niet ondenkbaar is dat een individuele schuldeiser in het kader van de vereffening van de nalatenschap rechtmatig belang kan hebben bij bepaalde bescheiden, bijvoorbeeld om verzet tegen de uitdelingslijst te kunnen onderbouwen.
Maar daarvoor is dan wel nodig dat hij goed onderbouwd uiteenzet welke concrete aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de door de vereffenaar geproduceerde gegevens en welke stukken hij wil ontvangen om dat te kunnen bewijzen.
Eiser vordert de verschaffing van alle relevante inlichtingen en stukken met betrekking tot de nalatenschap van erflater.
In de dagvaarding heeft zij een (niet-limitatief) overzicht opgenomen van vragen die zij beantwoord wil hebben en stukken die zij wil ontvangen.
Na overlegging van additionele producties door gedaagde partijen en de beantwoording van vragen tijdens de mondelinge behandeling, heeft eiser aangegeven dat het voor haar met name van belang is te kunnen onderzoeken hoe het zogenaamde ‘moederlijk erfdeel’ (dat wil zeggen: de vorderingen van gedaagde en haar zus, als erfgenamen van hun overleden moeder, op erflater, als langstlevende) zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld.
In het bijzonder wil eiser weten of tussen 2009 en 2019 betalingen hebben plaatsgevonden aan gedaagde en haar zus als aflossing op het ‘moederlijk erfdeel’.
Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling voorgesteld dat een deskundige wordt benoemd met de opdracht te controleren of het door gedaagde partijen vastgestelde omvang van het ‘moederlijk erfdeel’ juist is.
Eiser stelt recht en belang bij deze informatie te hebben, om de deugdelijkheid van de boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflater te verifiëren.
Zij wenst aan de hand van de door haar verzochte informatie te controleren dat de nalatenschap van erflater werkelijk dusdanig negatief is dat het door erflater aan eiser toegekende legaat niet wordt betaald.
Eiser twijfelt aan de juistheid van de boedelbeschrijving en de vaststelling dat de nalatenschap negatief is, omdat zij erflater heeft leren kennen als een zorgvuldige man die goed op de hoogte was van zijn financiële situatie.
Zij acht het ondenkbaar dat erflater relatief kort voor zijn overlijden een legaat zou toekennen terwijl hij op dat moment wel zou hebben geweten dat zijn nalatenschap negatief zou zijn zodat aan betaling van dat legaat niet zou worden toegekomen.
In feite wil eiser de beschikking krijgen over een veelheid van stukken om de door of namens gedaagde als vereffenaar opgestelde boedelbeschrijving vrijwel integraal te controleren en het door of namens de vereffenaar gedaan onderzoek zelf over te doen.
Daarvoor is de regeling van 843a Rv niet bedoeld.
Maar ook als de vordering van eiser zou worden beperkt tot stukken die zouden kunnen aantonen dat op het ‘moederlijk erfdeel’ is afgelost (en daarmee de hoger gerangschikte vordering mogelijk dermate verlaagd wordt dat aan betaling van legaten zou kunnen worden toegekomen), heeft eiser onvoldoende onderbouwd waarom zij een rechtmatig belang bij die stukken heeft.
Het enkele en verder niet onderbouwde vermoeden van eiser dat de nalatenschap van erflater niet negatief kan zijn, omdat hij anders niet een legaat aan eiser zou hebben gemaakt, is niet voldoende.
Tegenover alle reeds door of namens gedaagde aan eiser verschafte bescheiden en toelichting – waaronder de informatie die door haar is gegeven bij nadere akte – heeft eiser onvoldoende toegelicht welke concrete aanleiding bestaat om aan de juistheid van de berekening van het ‘moederlijk erfdeel’ te twijfelen.
Daarbij heeft eiser, bij monde van haar advocaat, tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat de berekening van de omvang van het moederlijk erfdeel op zichzelf wel juist voorkomt, maar dat zij graag wil dat wordt nagegaan of er daarop aflossingen zijn gedaan.
Niet duidelijk wordt waarom de thans beschikbare informatie over gemaakte aflossingen, onjuist of onbetrouwbaar zou zijn.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.