De Rechtbank Overijssel heeft onlangs uitspraak gedaan over de rentevergoeding over de kindsdelen uit een nalatenschap.

Tussen partijen staat inmiddels vast dat de kindsdelen uit de nalatenschap van vader voor ieder van partijen een bedrag van € 35.153,00 bedragen.

In geschil is of er na het overlijden van vader elk jaar rente moet worden berekend over de kindsdelen.

Volgens eiser moet deze rente van 6% jaarlijks enkelvoudig worden berekend over het bedrag van € 35.153,00, maar was de rente net als het kindsdeel zelf tijdens het leven van moeder nog niet opeisbaar.

Volgens de redenering van eiser is naast ieders kindsdeel ook het bedrag van de bij elkaar opgetelde rentebedragen van elk jaar tot aan het overlijden van moeder een vordering op de nalatenschap van moeder.

De vorderingen van de kindsdelen met de rente moeten volgens eiser op de boedelbeschrijving van de nalatenschap van moeder worden opgenomen.

Erfrecht. Rente over de kindsdelen uit nalatenschap. Opeisbaarheid van het kindsdeel. Verjaring van de rentevordering? Enkelvoudige rente? Wettelijke rente. Vertragingsrente.

De rechter oordeelt als volgt.

Gedaagden hebben verweer gevoerd tegen deze stellingname van eiser over de rente over de kindsdelen.

De rechtbank gaat allereerst voorbij aan hun verweer dat eiser geen belang zou hebben bij zijn vordering tot vaststelling van de kindsdelen (uit de nalatenschap van vader) en de daarbij behorende rente.

De rechtbank is verder van oordeel dat het verweer van gedaagden met betrekking tot gehele of gedeeltelijke verjaring van de rentevordering niet slaagt.

Dat betekent dat de rechtbank er vanuit gaat dat de kindsdelen en het bij elkaar opgetelde bedrag van de jaarlijks enkelvoudig berekende rente van 6% over het bedrag van de kindsdelen in de periode na het overlijden van vader en tot het overlijden van moeder als vorderingen moeten worden aangemerkt in de nalatenschap van moeder.

Voor dat oordeel is van belang dat in het testament van vader weliswaar geen concreet moment van opeisbaarheid van de rente is genoemd, maar dat het testament wel uitdrukkelijk uitgaat van een verzorgingsplicht tegenover moeder.

In het kader van die verzorgingsplicht is bepaald dat de kindsdelen zelf pas opeisbaar zijn bij het overlijden van moeder.

Uitleg van die bepaling ex artikel 4:46 BW brengt mee dat de in het testament genoemde rente al wel wordt berekend maar dat die rente ook pas opeisbaar wordt bij het overlijden van moeder.

Overigens blijkt deze uitleg ook uit een brief van de belastingadviseur van erflaatster van 2 augustus 2022 aan erflaatster waarin is vermeld:

Voor de goede orde doe ik U hierbij een overzicht toekomen van de stand van de renteloze vorderingen welke Uw drie kinderen op U hebben op grond van hun wettelijk erfdeel. Volgens het testament worden de vorderingen – welke overigens niet opeisbaar zijn – jaarlijks enkelvoudig verhoogd met een rente van 6%’.

Van gehele of gedeeltelijke verjaring van de rentevorderingen is geen sprake, omdat de rentevorderingen opeisbaar waren vanaf het moment op overlijden van erflaatster.

Uit het voorgaande volgt niet alleen dat de vorderingen van kindsdelen en rente thuishoren op de boedelbeschrijving maar ook dat de vorderingen van eiser grotendeels toewijsbaar zijn.

Het vorderingsrecht van eiser op de nalatenschap van moeder wordt per overlijdensdatum vastgesteld op een bedrag van € 35.153,00 vermeerderd met de gecumuleerde rente tot die datum van € 35.856,00.

In zijn vordering heeft eiser aanspraak gemaakt op vertragingsrente over deze bedragen, namelijk de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf overlijdensdatum tot aan de dag van volledige betaling.

Deze vertragingsrente is toewijsbaar vanaf het moment dat de nalatenschap in verzuim is geraakt met betrekking tot de betaling van deze bedragen.

Naar het oordeel van de rechtbank is dat verzuim nog niet ingetreden aangezien eiser tot nu toe alleen aanspraak heeft gemaakt op de vaststelling van de omvang van zijn vorderingsrecht.

Voor zover de rechtbank dat op grond van de stukken kan beoordelen, heeft hij nog geen aanspraak gemaakt op betaling van het bedrag.

Er is daarom nog geen sprake van een situatie van verzuim.

Voor zover de vordering betrekking heeft op de toewijzing van vertragingsrente, wordt deze afgewezen.

In zijn vordering heeft eiser daarnaast aanspraak gemaakt op betaling van de rentevergoeding uit het testament van zes procent per jaar over het nominale bedrag van zijn kindsdeel vanaf de datum van overlijden van moeder.

Volgens eiser moet de rente ook na het overlijden van moeder worden berekend, telkens op de vervaldatum van 9 april, zodat die rente door de nalatenschap verschuldigd wordt aan eiser.

De rechtbank is van oordeel dat deze vordering op grond van het testament toewijsbaar is.

Deze verplichting tot berekenen van die rente eindigt op het moment dat het kindsdeel aan eiser is betaald.

Dat volgt uit de tekst van het testament, waarin staat dat de bedoelde rente van zes procent per jaar eenmaal per jaar verschijnt (voor het eerst een jaar na het overlijden van vader) en zo vervolgens tot aan de algehele voldoening dier uitkeringen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.