Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 18 mei 2021 uitspraak gedaan over de vraag of successierechten verschuldigd waren bij een verbeuring van een aandeel in een nalatenschap vanwege het verzwijgen van een buitenlands vermogen, dat toebehoorde in de nalatenschap.
In geschil is of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.
Meer specifiek is in geschil of de moeder haar aandeel in de nalatenschap van de vader heeft verbeurd voor zover dat betrekking heeft op het buitenlandse vermogen.
Tussen partijen is niet meer in geschil dat de navorderingsaanslag in het recht van successie die ter zake van de verkrijging uit de nalatenschap van de vader aan de erfgenamen van de moeder was opgelegd ter grootte van € 246.247 en die op 14 juni 2017 is vernietigd, niet als schuld op de verkrijging uit de nalatenschap van de moeder in aanmerking kan worden genomen.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van het bepaalde in artikel 4:1110 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) (oud) de moeder haar aandeel in de nalatenschap van de vader voor zover dat betrekking heeft op het buitenlandse vermogen heeft verbeurd aan de (overige) erfgenamen van de vader.
Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De verbeuring strekt zich zowel uit tot het aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van het bepaalde in artikel 3:194, lid 2, van het BW, als tot het aandeel in de nalatenschap.
Belanghebbende is op het sterfbed van de moeder op de hoogte geraakt van het buitenlandse vermogen.
Van het opstarten van een civiele procedure tegen de moeder ter zake van de verbeurdverklaring van haar deel in de nalatenschap van de vader kan dan in alle redelijkheid geen sprake meer zijn.
Feitelijk zou belanghebbende dan een procedure tegen zichzelf en de overige erfgenamen van haar moeder moeten voeren.
Aangezien er sprake is van opzettelijke verzwijging door de moeder is verbeuring van rechtswege aan de orde.
De inkeer op haar sterfbed kan niet leiden tot herstel van de verbeuring.
Door het verzwijgen is er een schuld ontstaan van de moeder aan de overige deelgenoten, waaronder belanghebbende, die met toepassing van wettelijke rente moet worden opgerent.
De totale schuld bedraagt € 7.794.496, zodat de nalatenschap lager is dan de verkrijging die bij de primitieve aanslag in aanmerking is genomen.
Er is dan ook geen grondslag voor het opleggen van de navorderingsaanslag.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat van verbeuring geen sprake (meer) kan zijn omdat artikel 4:1110 van het BW (oud) een sanctiekarakter heeft.
Omdat de erfgenamen van de moeder dezelfde zijn als de erfgenamen van de vader, kan geen straf meer worden ervaren en is dit artikel niet meer in te roepen.
Bovendien is niet gebleken dat daadwerkelijk een beroep op deze bepaling is gedaan.
Voor zover belanghebbende dat in deze procedure toch doet, levert dat misbruik van bevoegdheid of zelfs fraus legis op.
De bepaling wordt enkel ingeroepen om er fiscaal voordeel aan te ontlenen.
Verder is de Inspecteur van mening dat een civiele rechter de gegrondheid van een beroep op verbeurdverklaring moet vaststellen, hetgeen niet gebeurd is.
Tot 2017 hebben de erfgenamen in het geheel niets ondernomen.
Pas in de loop van de bezwaarprocedure hebben zij de stelling ingenomen dat sprake was van verzwijging en verbeuring.
Mocht een schuld zijn ontstaan dan is deze pas ontstaan in 2017 bij het inroepen van de bepaling.
Die werkt niet terug naar het moment van overlijden van de vader, zodat hiermee in 2006 geen rekening kan worden gehouden, aldus de Inspecteur.
Erfrecht. Verbeurdverklaring aandeel in nalatenschap wegens verzwijging. Recht van successie. Schuld uit hoofde van verbeuring van verzwegen buitenlands vermogen?
De rechter oordeelt als volgt.
Wettelijk kader
Artikel 4:1110 van het BW (oud), welke bepaling van toepassing is op nalatenschappen, luidt als volgt: “Erfgenamen welke goederen, tot eene nalatenschap behoorende, hebben te zoek gemaakt of verborgen gehouden, verliezen de bevoegdheid om de erfenis te verwerpen; zij blijven zuivere erfgenamen, niettegenstaande hunne verwerping, zonder dat zij eenig deel in het zoek gemaakte of verborgene mogen vorderen.”
Dit artikel is per 1 januari 2013 vervallen.
Artikel 3:194, lid 2, van het BW, luidt: “Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.”
Deze bepaling is op 1 januari 1992 ingevoerd en heeft betrekking op bijzondere gemeenschappen, waaronder een gemeenschap van een nalatenschap en die van een ontbonden huwelijksgemeenschap.
Ingevolge het bepaalde in artikel 103 van de Overgangswet NBW is artikel 3:194, lid 2, van het BW, niet van toepassing op een gemeenschap die op het tijdstip van het in werking treden van de wet reeds bestond. In de onderhavige zaak gaat het om een ter zake van het overlijden van de vader op 18 oktober 1995 ontbonden huwelijksgemeenschap, derhalve een gemeenschap die op 1 januari 1992 nog niet bestond.
Dit brengt mee dat artikel 3:194, lid 2, van het BW, van toepassing is.
Het Hof zal bij de beoordeling van het hoger beroep dan ook toetsen aan het bepaalde in artikel 4:1110 van het BW (oud) en aan artikel 3:194, lid 2, van het BW.
Beide artikelen hebben een soortgelijke strekking.
Treedt verbeuring van rechtswege in?
Het Hof stelt voorop dat de belastingrechter in beginsel aansluit bij de civiele werkelijkheid.
Daarom zal het Hof allereerst ingaan op het standpunt van belanghebbende dat verbeuring van het (verzwegen) buitenlandse vermogen van rechtswege intreedt.
Het Hof verwerpt dat standpunt.
Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat de relatie tussen de deelgenoten in de nalatenschap van de vader, in casu de moeder en de (klein)kinderen (waaronder belanghebbende), een bijzondere is, waarbij de redelijkheid en billijkheid een belangrijke rol speelt.
Vanwege deze – bijzondere – familierechtelijke relatie zullen de erfgenamen van de vader zelf moeten bepalen of zij de zware sanctie van verbeuring willen laten intreden.
Het inroepen van de sanctie brengt immers mee dat de erfgenamen van de vader tegenover (de erfgenamen van) de moeder komen te staan.
Indien belanghebbende de sanctie inroept, komt zij tegenover haar naaste familieleden en deels tegenover zichzelf te staan.
Gelet hierop is het Hof van oordeel dat de artikelen 4:1110 van het BW (oud) en 3:194, lid 2, van het BW, aan de deelgenoten een wilsrecht geeft, zodat de sanctie pas intreedt als de deelgenoten de betreffende bepaling inroepen (vgl. PHR:2020:820).
Aangezien het Hof niet is gebleken dat belanghebbende de sanctie jegens (de erfgenamen van) de moeder heeft ingeroepen, is er geen aanleiding om een schuld uit hoofde van verbeuring op de nalatenschap van de moeder in mindering te brengen.
Dit brengt mee dat het beroep van belanghebbende reeds hierom faalt.
Voor het overige is het Hof van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft gegeven.
Het Hof maakt deze beslissing en de daartoe door de Rechtbank gebezigde overwegingen tot de zijne.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het verbeuren van een aandeel in een nalatenschap vanwege verzwijging van goederen of gelden uit die nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.