Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs uitspraak gedaan over de nadere verdeling van een ontbonden maatschap.

Appellant heeft gesteld dat de op 1 november 1991 ontbonden maatschap met vader en geïntimeerde nog verdeeld moet worden.

Volgens appellant had vader bij het einde van de maatschap nog een kapitaalschuld aan de maatschap, terwijl appellant en geïntimeerde nog een vordering hadden op de ontbonden maatschap.

Bij de verdeling komt aan appellant daarom nog een geldvordering toe geïntimeerde.

De rechtbank heeft die vordering afgewezen en daartoe overwogen dat mede vanwege het inmiddels verstreken tijdsverloop, uit de redelijkheid en billijkheid die bij een verdeling in acht moet worden genomen (artikel 3:185 BW) volgt dat appellant, geïntimeerde en (de rechtsopvolgers van) vader over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar ook niets verschuldigd zijn uit hoofde van een verdeling.

In hoger beroep betwist appellant dat de redelijkheid en billijkheid dat met zich brengt.

Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Nadere verdeling van een ontbonden maatschap. Stilzwijgende verrekening? Bewijs. Redelijkheid en billijkheid. Toetsing.

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof stelt voorop dat de maatschap met vader al op 1 november 1991 is ontbonden.

Al de tijd nadien hebben appellant, vader en geïntimeerde geen aanleiding gevonden om tot een (nadere) verdeling over te gaan.

Weliswaar vermeldt de slotbalans van de maatschap dat vader nog een schuld had aan de maatschap van fl. 117.549 en dat appellant en geïntimeerde vorderingen hadden op de maatschap van fl. 432.268 resp. fl. 317.012, maar uit wat hiervoor is overwogen volgt dat vader na het einde van de maatschap geen aanspraak heeft gemaakt op vergoedingen voor het gebruik van zijn landerijen en gebouwen, terwijl vergoedingen daarvoor wel waren opgenomen in de maatschap van appellant en geïntimeerde.

Gelet daarop valt niet uit te sluiten dat appellant, geïntimeerde en vader er indertijd (stilzwijgend) voor hebben gekozen om het een met het ander te verrekenen en geen aanspraak te maken op nadere verdeling.

Of dat zo is, valt na het overlijden van vader echter niet meer na te gaan.

Daar komt bij dat appellanten hebben aangevoerd dat er geen deugdelijke administratie is bijgehouden van de ontbonden maatschap.

Dat past niet alleen in de mogelijkheid dat partijen toen geen nadere verdeling meer verlangden, maar maakt ook feitelijk een nadere verdeling van de ontbonden maatschap niet mogelijk.

Daarbij wordt opgemerkt dat dit hof in de vorige procedure tussen partijen al heeft overwogen dat een verdeling meer omvat dan alleen het instellen van een geldvordering, zoals desondanks appellant in de procedure opnieuw doet.

Daarmee deelt het hof het oordeel van de rechtbank dat de redelijkheid en billijkheid die bij een verdeling in acht moet worden genomen, met zich brengen dat partijen over en weer geen aanspraken jegens elkaar kunnen maken uit een verdeling van de ontbonden maatschap.

Dat betekent dat de vordering van appellant die uitgaat van nog een schuld van (de rechtsopvolgers van) vader dient te worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.