De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 13 juli 2022 uitspraak gedaan over een vordering van een legataris op informatie van de vereffenaar over de hoogte van het hem toegekende legaat.


In zijn testament heeft erflater aan eiser een legaat gemaakt.

Volgens gedaagde partijen is de nalatenschap negatief, in die zin dat er onvoldoende vermogen is om aan eiser het gemaakte legaat te betalen.

Eiser betwijfelt dit.

Zij wil in deze procedure dat gedaagden worden veroordeeld om over te gaan tot betaling van het legaat en om inlichtingen en stukken te verschaffen om het door hen vastgestelde saldo van de nalatenschap te controleren.

De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser niet-ontvankelijk is in haar vorderingen tegenover gedaagde 1.

Op de nalatenschap van erflater is op dit moment de wettelijke vereffeningsprocedure van toepassing.

Als gevolg zijn de taken van gedaagde 1 als executeur van rechtswege geëindigd.

De vorderingen tegenover gedaagde 2 zullen worden afgewezen.

Eiser heeft geen recht op de door haar verzochte informatie en – bij de huidige stand van de nalatenschap – is een betaling van het legaat aan eiser niet aan de orde.

Hierna legt de kantonrechter uit hoe zij tot deze beslissingen is gekomen.

Erfrecht. Vereffening. Legaat. Beneficiaire aanvaarding. Wettelijke vereffening. Vordering van de legataris tot verstrekken van informatie door vereffenaar over de hoogte van het legaat. Boedelbeschrijving. Rechtmatig belang?  

De rechter oordeelt als volgt.

De eiser heeft haar vorderingen ingesteld tegen zowel gedaagde, in zijn hoedanigheid als executeur testamentair, als tegen overige gedaagde, in haar hoedanigheid van vereffenaar en enig erfgenaam in de nalatenschap van erflater.

Volgens gedaagde 1 is hij echter niet langer executeur van de nalatenschap van erflater en dient eiser daarom tegenover hem niet-ontvankelijk in haar vorderingen te worden verklaard.

Eiser stelt dat vanwege de aanspraken van eiser en de door haar geconstateerde onjuistheden bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden, gedaagde 1 nog steeds als executeur kan worden aangesproken.

De rechtbank stelt gedaagde 1 op dit punt in het gelijk en oordeelt dat eiser tegenover gedaagde 1 niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De reden daarvoor is als volgt.

Artikel 4:202 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat wanneer een nalatenschap beneficiair wordt aanvaard, de nalatenschap in beginsel wettelijk vereffend moet worden.

Dat wil zeggen dat vereffening (oftewel: het te gelde maken van de goederen in de nalatenschap en de voldoening van nalatenschapsschulden) plaatsvindt op basis van een wettelijke regeling die is neergelegd in Afdeling 3 van Titel 6 van Boek 4 BW.

Het uitgangspunt bij de wettelijke vereffening is dat de erfgenamen ook vereffenaar van de nalatenschap zijn (artikel 4:195 BW).

Een uitzondering op de regel dat na beneficiaire aanvaarding de wettelijke vereffening moet worden toegepast, is het geval dat een executeur is benoemd die bevoegd is schulden te betalen én er sprake is van een duidelijk positieve nalatenschap (4:202 lid 1 sub a BW).

In dat geval kan de executeur de nalatenschap afwikkelen op basis van de op hem rustende taken en bevoegdheden en hoeft niet de wettelijke vereffeningsprocedure gevolgd te worden.

De gedachte daarachter is dat bij een positieve, solvente nalatenschap geen problemen zullen optreden bij de voldoening van de nalatenschapsschulden en geen (bijzondere) schuldeisersbescherming nodig is.

De nalatenschap is dan immers ruimschoots toereikend om de schulden te voldoen en waarvoor een voldoende toegeruste executeur aanwezig is.

Wanneer echter niet kan worden aangetoond dat de nalatenschap ruimschoots toereikend is om alle schulden te voldoen, zal moeten worden vereffend volgens de wettelijke vereffeningsprocedure.

De taken van de executeur eindigen dan van rechtswege (artikel 4:149 lid 1 sub d BW) en het beheer gaat over naar de vereffenaar(s).

In dit geval heeft erflater in zijn testament van 4 oktober 2019 gedaagde 1 tot executeur benoemd.

Gedaagde 1 heeft zijn benoeming tot executeur aanvaard op 20 januari 2020.

Vanaf dat moment was gedaagde 1 belast met, kort gezegd, het beheer van de nalatenschap van erflater.

Op 15 april 2020 heeft gedaagde 2 de nalatenschap beneficiair aanvaard.

Vervolgens is op 13 mei 2020 een mededeling aan de kantonrechter gedaan dat sprake is van een negatieve nalatenschap, waarbij ter onderbouwing een voorlopige boedelbeschrijving is aangehecht.

Ook de definitieve boedelbeschrijving die op 7 augustus 2020 aan de kantonrechter is gezonden, maakt melding van een negatieve nalatenschap.

Dat betekent dat gedaagde 2, als enig erfgenaam, vereffenaar van de nalatenschap van erflater is geworden, waarbij de nalatenschap volgens de wettelijke procedure moet worden vereffend.

De taak van gedaagde 1 als executeur is daarmee geëindigd.

Eiser meent weliswaar dat de nalatenschap van erflater in ieder geval voldoende is om het aan haar toegekende legaat te voldoen, maar op dit moment bestaat daarvoor nog onvoldoende zekerheid.

Dat is ook de reden dat eiser inlichtingen en stukken wenst te ontvangen.

Dat maakt dat het terzijde stellen van de wettelijke vereffeningsprocedure (zodat de benoemde executeur de nalatenschap zal afwikkelen) niet aan de orde is.

Ook de aanspraken van eiser en de door haar gestelde onjuistheden in de uitvoering door gedaagde 1 van zijn taak en het beheer als executeur, maken dit niet anders.

Voor zover er aanspraken tot betaling of het verschaffen van inlichtingen en stukken bestaan (daarover in de hierna volgende paragrafen meer), kunnen zij vanaf het moment van de beneficiaire aanvaarding enkel tegen de vereffenaar van de nalatenschap worden ingesteld.

De wijze waarop gedaagde 1 zich als executeur van zijn taken en het beheer over de nalatenschap heeft gekweten, maakt geen onderdeel uit van deze procedure – nog daargelaten dat gedaagde 1 op grond van de wet (artikel 4:151 BW) enkel rekening en verantwoording moet afleggen aan degene die na hem tot beheer bevoegd is (in dit geval: gedaagde 2 als de vereffenaar).

Recht op inlichtingen en stukken?

Omdat eiser niet-ontvankelijk is in haar vorderingen tegenover gedaagde 1, zullen hierna enkel de vorderingen tegen gedaagde 2 inhoudelijk worden beoordeeld.

De rechtbank begrijpt dat de vordering van eiser tot betaling van € 100.000,00 subsidiair is aan de vordering tot het verkrijgen van informatie, in die zin dat op die laatstgenoemde vordering eerst moet worden beslist voordat kan worden beoordeeld of eiser recht heeft op betaling van € 100.000,00 uit de nalatenschap van erflater.

Daarom is de kernvraag die de rechtbank moet beoordelen of gedaagde 2 aan eiser de door haar verzochte inlichtingen en stukken moet verschaffen.

De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is.

Waarom dat zo is, wordt hierna uitgelegd.

De wet geeft aan een aantal belanghebbende bij een nalatenschap een recht op informatie.

Zo bepaalt artikel 4:78 BW dat een legitimaris (iemand die recht heeft op een legitieme portie) die niet ook erfgenaam is, recht heeft op informatie die nodig is voor de berekening van zijn legitieme portie.

Hetzelfde recht is in artikel 4:39 BW toegekend aan bepaalde andere wettelijke schuldeisers van de nalatenschap (niet zijnde legatarissen).

Erfgenamen hebben recht op informatie tegenover een executeur (op grond van artikel 4:148 BW) en tegenover hun mede-erfgenamen (op grond van artikel 3:166 lid 3 BW jo 6:2 BW).

Voor legatarissen bestaat echter niet een wettelijk voorgeschreven recht op informatie tegenover diegene die is belast met het beheer of vereffening van de nalatenschap.

In de rechtspraak1 is wel geoordeeld dat een legataris in sommige gevallen recht heeft op specifieke informatie.

Het gaat dan om de situatie waarin een legataris informatie nodig heeft om de hoogte van zijn vorderingsrecht vast te stellen.

Dat kan zich voordoen als het betreffende legaat niet uit een vast bedrag bestaat, maar afhankelijk is van één of meer variabelen, bijvoorbeeld als het legaat bestaat uit een bedrag in geld dat gelijk is aan het bedrag van de legitieme portie of het erfdeel als de legataris erfgenaam zou zijn.

Een legataris kan onder omstandigheden jegens een executeur, vereffenaar of erfgenaam aanspraak maken op bepaalde informatie, als die informatie onontbeerlijk is om de hoogte van het vorderingsrecht van de legataris vast te kunnen stellen.

Deze situatie doet zich in dit geval niet voor.

In het testament heeft erflater aan eiser een vast bedrag gelegateerd.

De hoogte van de vordering van eiser uit hoofde van het legaat is niet afhankelijk van bepaalde variabelen.

Eiser heeft dan ook geen recht op informatie zoals bedoeld in de hiervoor genoemde rechtspraak, omdat eiser geen nadere informatie nodig heeft om de hoogte van het aan haar toegekende legaat te kunnen vaststellen.

De verminderingsbepaling van lid 4 van artikel 4 van het testament maakt dit niet anders, omdat volgens de opgave van gedaagde 2 de nalatenschap dermate negatief is dat aan betaling van legaten überhaupt niet kan worden toegekomen.

In deze procedure gaat het om het bepalen van de omvang van de nalatenschap in het kader van de vereffening van de nalatenschap.

Het uitgangspunt is dat de krachtens de wet aangestelde vereffenaar onderzoek naar de activa en passiva van de nalatenschap, een boedelbeschrijving opstelt of laat opstellen door een boedelnotaris en ten slotte een uitdelingslijst opstelt, een en ander zoals bepaald in Afdeling 3 van Titel 6 van Boek 4 BW.

Anders dan inzage in de boedelbeschrijving en de uitdelingslijst, geeft de wet aan individuele schuldeisers (zoals een legataris) geen specifieke informatierechten ten opzichte van de vereffenaar in het kader van de vereffening.

Hoewel eiser daar niet een expliciet beroep op doet, kan artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niettemin een grondslag bieden om informatie te verkrijgen.

Artikel 843a Rv geeft niet een algemeen en onbeperkt recht op inlichtingen.

Een vordering op grond van artikel 843a Rv kan alleen worden toegewezen indien aan de volgende cumulatieve eisen wordt voldaan:


(a) de eiser heeft een rechtmatig belang bij de vordering;
(b) de vordering heeft betrekking op bepaalde bescheiden;
(c) degene van wie de bescheiden worden gevraagd heeft daarover de beschikking of onder berusting; en
(d) de bescheiden hebben betrekking op een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.

Het ligt op de weg van de partij die informatie verlangt om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan.

Van de verzoekende partij wordt verwacht dat zij aanvoert waarom een redelijke grond bestaat dat de ander over de verzochte informatie beschikt en dat zij voldoende concreet vermeldt waarom die informatie relevant bewijs kan leveren van haar rechtspositie.

Niet ondenkbaar is dat een individuele schuldeiser in het kader van de vereffening van de nalatenschap rechtmatig belang kan hebben bij bepaalde bescheiden, bijvoorbeeld om verzet tegen de uitdelingslijst te kunnen onderbouwen.

Maar daarvoor is dan wel nodig dat hij goed onderbouwd uiteenzet welke concrete aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de door de vereffenaar geproduceerde gegevens en welke stukken hij wil ontvangen om dat te kunnen bewijzen.

Eiser vordert de verschaffing van alle relevante inlichtingen en stukken met betrekking tot de nalatenschap van erflater.

In de dagvaarding heeft zij een (niet-limitatief) overzicht opgenomen van vragen die zij beantwoord wil hebben en stukken die zij wil ontvangen.

Na overlegging van additionele producties door gedaagde partijen en de beantwoording van vragen tijdens de mondelinge behandeling, heeft eiser aangegeven dat het voor haar met name van belang is te kunnen onderzoeken hoe het zogenaamde ‘moederlijk erfdeel’ (dat wil zeggen: de vorderingen van gedaagde 2 en haar zus, als erfgenamen van hun overleden moeder, op erflater, als langstlevende) zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld.

In het bijzonder wil eiser weten of tussen 2009 en 2019 betalingen hebben plaatsgevonden aan gedaagde 2 en haar zus als aflossing op het ‘moederlijk erfdeel’.

Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling voorgesteld dat een deskundige wordt benoemd met de opdracht te controleren of het door gedaagde partijen vastgestelde omvang van het ‘moederlijk erfdeel’ juist is.

Eiser stelt recht en belang bij deze informatie te hebben, om de deugdelijkheid van de boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflater te verifiëren.

Zij wenst aan de hand van de door haar verzochte informatie te controleren dat de nalatenschap van erflater werkelijk dusdanig negatief is dat het door erflater aan eiser toegekende legaat niet wordt betaald.

Eiser twijfelt aan de juistheid van de boedelbeschrijving en de vaststelling dat de nalatenschap negatief is, omdat zij erflater heeft leren kennen als een zorgvuldige man die goed op de hoogte was van zijn financiële situatie.

Zij acht het ondenkbaar dat erflater relatief kort voor zijn overlijden een legaat zou toekennen terwijl hij op dat moment wel zou hebben geweten dat zijn nalatenschap negatief zou zijn zodat aan betaling van dat legaat niet zou worden toegekomen.

In feite wil eiser de beschikking krijgen over een veelheid van stukken om de door of namens gedaagde 2 als vereffenaar opgestelde boedelbeschrijving vrijwel integraal te controleren en het door of namens de vereffenaar gedaan onderzoek zelf over te doen.

Daarvoor is de regeling van 843a Rv niet bedoeld.

Maar ook als de vordering van eiser zou worden beperkt tot stukken die zouden kunnen aantonen dat op het ‘moederlijk erfdeel’ is afgelost (en daarmee de hoger gerangschikte vordering mogelijk dermate verlaagd wordt dat aan betaling van legaten zou kunnen worden toegekomen), heeft eiser onvoldoende onderbouwd waarom zij een rechtmatig belang bij die stukken heeft.

Het enkele en verder niet onderbouwde vermoeden van eiser dat de nalatenschap van erflater niet negatief kan zijn, omdat hij anders niet een legaat aan eiser zou hebben gemaakt, is niet voldoende.

Tegenover alle reeds door of namens gedaagde 2 aan eiser verschafte bescheiden en toelichting – waaronder de informatie die door haar is gegeven bij nadere akte met producties 1 t/m 5 – heeft eiser onvoldoende toegelicht welke concrete aanleiding bestaat om aan de juistheid van de berekening van het ‘moederlijk erfdeel’ te twijfelen.

Daarbij heeft eiser, bij monde van haar advocaat, tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat de berekening van de omvang van het moederlijk erfdeel op zichzelf wel juist voorkomt, maar dat zij graag wil dat wordt nagegaan of er daarop aflossingen zijn gedaan.

Niet duidelijk wordt waarom de thans beschikbare informatie over gemaakte aflossingen, onjuist of onbetrouwbaar zou zijn.

Mogelijk biedt de wettelijke vereffeningsprocedure – die juist tot doel heeft schuldeisers van een insolvente nalatenschap te beschermen – eiser andere middelen om haar belang bij een correcte vereffening van de nalatenschap van erflater te waarborgen, maar daarover gaat deze procedure niet.

De vordering van eiser tot het verschaffen van inlichtingen en stukken zal worden afgewezen.

Omdat eiser voor het overige niets heeft gesteld dat, indien bewezen, zou leiden tot een verplichting tot betaling van het aan eiser toegekende legaat, wordt ook de vordering tot betaling van € 100.000,00 afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.