De Rechtbank Amsterdam heeft op 14 september 2022 uitspraak gedaan over een vordering tot vestiging van vruchtgebruik op een woning met inboedel.

Eiseres vordert de vestiging van een vruchtgebruik op de woning met inboedel op grond van artikel 4:29 lid 1 BW.

Eiseres stelt daartoe dat zij in samenspraak met erflater is gestopt met werken en alleen een nabestaandenpensioen van € 663,13 per maand als inkomen heeft.

Om haar levensstandaard te kunnen handhaven die zij tijdens het huwelijk met erflater had, heeft zij behoefte aan het vestigen van een vruchtgebruik op de woning en de inboedel, aldus eiseres.

Erfrecht. Verzorgingsvruchtgebruik. Vordering tot vestiging van vruchtgebruik op woning met inboedel op tweede woning mogelijk? Vaststellen van behoefte. Bevoegdheid van de rechter. Kantonrechter.

De rechter oordeelt als volgt.

Niet in geschil is dat eiseres, gelet op de vervaltermijn als bedoeld in artikel 4:31 lid 2 BW, tijdig aanspraak heeft gemaakt op een vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4:29 lid 1 BW.

Gedaagde is op grond van artikel 4:29 lid 1 BW in beginsel verplicht medewerking te verlenen aan het vestigen van een vruchtgebruik op de in die bepaling bedoelde woning (zie hierna) en inboedel.

De behoefte van eiseres aan dat vruchtgebruik wordt bij de toepassing van artikel 4:29 lid 1 BW verondersteld aanwezig te zijn.

Het was aan gedaagde geweest om op grond van artikel 4:33 lid 2, onder a BW aan de kantonrechter een verzoek voor te leggen om de behoefte van eiseres te beoordelen en te bepalen dat geen verplichting tot het vestigen van een vruchtgebruik bestaat (artikel 4:29 lid 1, laatste volzin).

Zo’n verzoek heeft gedaagde echter niet aan de kantonrechter voorgelegd.

Weliswaar kan de kantonrechter, ook nadat het vruchtgebruik is gevestigd, dat vruchtgebruik op verzoek van gedaagde beëindigen op de grond dat eiseres daaraan geen behoefte (meer) heeft, maar omdat het vruchtgebruik nog niet is gevestigd, doet die situatie zich nog niet voor.

Artikel 4:29 lid 1 BW ziet op het vestigen van een vruchtgebruik, voor zover hier van belang, “op de tot de nalatenschap behorende woning, die ten tijde van het overlijden door de erflater en zijn echtgenoot tezamen bewoond werd.”

Gedaagde bestrijdt dat in dit geval sprake was van zo’n woning als bedoeld in artikel 4:29 lid 1 BW.

Ten tijde van het overlijden van erflater beschikten erflater en eiseres zowel over de woning in A  (eigendom van erflater) als over het huis van eiseres in de P, Frankrijk.

Uit hetgeen partijen bij de mondelinge behandeling hebben verklaard, is af te leiden dat [eiseres] een huurappartement in Parijs bewoonde toen erflater en zij in 2011 een relatie kregen.

Erflater en eiseres brachten hun gezamenlijke tijd door in zowel het huurappartement van eiseres als in de woning van erflater.

De huur van het appartement in Parijs is door eiseres beëindigd nadat erflater en zij gezamenlijk een huis vonden.

Dat huis is in 2018 door eiseres aangekocht.

Eiseres is toen gestopt met werken.

Hieruit is het volgende op te maken.

Erflater en eiseres verbleven aanvankelijk veel gezamenlijk in de woning in A, met het appartement in Parijs als pied-a-terre.

Daarin is een verschuiving opgetreden na aankoop van het huis in de [woonplaats ] .

Dat huis werd door eiseres aangekocht met de bedoeling daarin voltijds gezamenlijk met erflater te gaan wonen na zijn pensionering in april 2021.

Kort en goed: erflater en eiseres beschikten dus over een woning in A en over het huis in P.

Hun gezamenlijk leven brachten zij ten tijde van het overlijden van erflater op 24 oktober 2020 hoofdzakelijk/zoveel mogelijk door in het huis in Frankrijk, met de bedoeling om dat vanaf april 2021 volledig te gaan doen.

Onder de hiervoor vastgestelde omstandigheden is de woning niet aan te merken als woning in de zin van artikel 4:29 lid 1 BW.

Na aankoop van het huis in Frankrijk is de woning in A geworden tot hun “tweede woning”.

Artikel 4:29 lid 1 BW ziet niet op zo’n “tweede woning”.

Die bepaling beoogt eiseres namelijk als langstlevende, niet-ervende echtgenoot te beschermen tegen dakloosheid als gevolg van het feit dat een door haar bewoonde woning tot een nalatenschap behoort waartoe zij niet gerechtigd is en zij financieel evenmin in staat is om een andere, min of meer gelijkwaardige woning te kunnen betrekken en in te richten.

Dat geval doet zich niet voor, gegeven het feit dat eiseres eigenaresse is van het huis dat ten tijde van het overlijden van erflater door hen als “eerste woning” werd bewoond.

De vordering van eiseres tot vestiging van een vruchtgebruik op grond van artikel 4:29 lid 1 BW is tevergeefs.

Eiseres vordert verder op grond van artikel 4:30 lid 1 BW vestiging van een vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap dan bedoeld in artikel 4:29 lid 1 BW.

Omdat hiervoor is geoordeeld dat de woning niet “een woning” is als bedoeld in artikel 4:29 lid 1 BW behoort de woning tot de “andere goederen van de nalatenschap” waarop artikel 4:30 lid 1 BW het oog heeft.

Niet in geschil is dat eiseres, gelet op de vervaltermijn als bedoeld in artikel 4:31 lid 2 BW, tijdig aanspraak heeft gemaakt op een vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4:30 lid 1 BW.

In artikel 4:29 lid 1 BW is – zoals hiervoor is overwogen – de verplichting van gedaagde om medewerking te verlenen aan het vestigen van een vruchtgebruik op de woning niet afhankelijk van de vraag of eiseres behoefte heeft aan dat vruchtgebruik omdat die behoefte van eiseres in artikel 4:29 lid 1 BW verondersteld wordt aanwezig te zijn, totdat de kantonrechter op verzoek van gedaagde heeft vastgesteld dat die behoefte er niet (meer) is.

Dit is anders bij de vraag of gedaagde verplicht is medewerking te verlenen aan het vestigen van een vruchtgebruik op grond van artikel 4:30 lid 1 BW.

Die verplichting van gedaagde op grond van artikel 4:30 lid 1 BW ontstaat immers uitsluitend voor zover eiseres daaraan, de omstandigheden in aanmerking genomen, voor haar verzorging behoefte heeft.

Gedaagde betwist dat die behoefte bij eiseres aanwezig is.

De beoordeling van de vraag of die behoefte bij eiseres bestaat, behoort naar het oordeel van de rechtbank tot de bevoegdheid van de kantonrechter.

In de tekst van de wet, noch in de parlementaire geschiedenis is aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat de wetgever heeft beoogd om het vaststellen van de behoeftigheid voor het opheffen van de verplichting tot vestiging van een vruchtgebruik (artikel 4:29 lid 1, laatste volzin) of het laten voortduren van een gevestigd vruchtgebruik (artikel 4:33 lid 2 BW) op te dragen aan de kantonrechter, maar de bevoegdheid tot het vaststellen van de behoeftigheid in het kader van de toepassing van artikel 4:30 lid 1 BW aan de rechtbank heeft toebedeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank zal de kantonrechter dus moeten onderzoeken en vaststellen of eiseres gelet op haar inkomsten, financiële verplichtingen, vermogen en verdiencapaciteit voor haar verzorging behoefte heeft aan de vestiging van een vruchtgebruik en zo ja, op welke goederen van de nalatenschap dat vruchtgebruik dan gevestigd moet worden.

De zaak zal daartoe door de rechtbank met toepassing van een “spoorwissel” (artikel 69 lid 1 Rv) naar de kantonrechter worden verwezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.