Het Gerechtshof Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vestiging van een vruchtgebruik ten behoeve van de langstlevende echtgenoot.
Geïntimeerde is getrouwd geweest met de erflater.
Uit het huwelijk zijn geen kinderen geboren.
Erflater is in 2019 overleden.
Het eerste huwelijk van erflater is in 2001 ontbonden door scheiding van de erflater drie kinderen die uit dat huwelijk zijn geboren.
Erflater heeft bij testament uit 2017 over zijn nalatenschap beschikt.
Erflater heeft zijn drie meerderjarige dochters tot erfgenamen benoemd en dus feitelijk geïntimeerde onterfd.
Erflater en geïntimeerde waren onder huwelijkse voorwaarden met elkaar getrouwd, en wel met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen.
Er was in de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden ook geen periodiek of finaal verrekenbeding opgenomen.
Erflater was vierrenveertig jaar ouder dan geïntimeerde.
In het testament is ten behoeve van de vrouw een legaat opgenomen, inhoudende het recht van gebruik en bewoning voor de duur van één jaar, te rekenen vanaf het overlijden van de erflater.
Op grond van het testament is de vrouw verplicht om de woning te verzekeren tegen gebruikelijke risico’s, de zakelijke eigenaarslasten te voldoen en te zorgen voor het onderhoud.
Erfrecht. Vestiging van vruchtgebruik ten behoeve van de langstlevende echtgenoot. Vruchtgebruik op echtelijke woning. Behoefte. Zorg. Stelplicht en bewijslast. Verplichte medewerking? Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
Het verzorgingsvruchtgebruik ex artikel 4:29 BW.
Appellanten stellen dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat bij een beroep op artikel 4:29 BW geen toets plaatsvindt ten aanzien van de verzorgingsbehoefte van de overgebleven echtgenoot en dat geen sprake is van buitengewone omstandigheden.
Voorts is door appellanten gesteld: Krachtens artikel 4:29 jo 4:33 lid 2 sub b BW zijn appellanten niet gehouden mee te werken tot vestiging van een vruchtgebruik op de woning en de inboedel ten behoeve van de echtgenoot van erflater indien en voor zover die echtgenoot daaraan geen behoefte heeft.
De rechten van afdeling 2 boek 4 BW dienen als vangnet voor personen wier verzorging niet of onvoldoende is gewaarborgd (Hoge Raad, 8 juni 2007, HR:2007:BA2507).
De verzorgingsbehoefte van de weduwe is maatgevend, zodat er wel degelijk een toetsing van de verzorgingsbehoefte van de overgebleven echtgenoot plaatsvindt.
De echtgenoot die een beroep doet op de behoefte aan verzorging dient aannemelijk te maken dat die behoefte daadwerkelijk bestaat.
De wetgever is er niet vanuit gegaan dat in beginsel aan de overgebleven echtgenoot altijd een verzorgingsgebruik toekomt.
Aldus zijn appellanten van mening dat de kantonrechter een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, althans zijn beslissing onvoldoende c.q. onjuist heeft gemotiveerd.
Van buitengewone omstandigheden is in het onderhavige geval, gelet op de jonge leeftijd van geïntimeerde, het feit dat zij in de jaren voorafgaand aan het overlijden van de erflater heeft gewerkt, een goede opleiding heeft en relevante werkervaring, geen sprake.
Geïntimeerde kan in voldoende mate in haar eigen levensonderhoud voorzien en heeft redelijkerwijs geen behoefte aan het vangnet.
Geïntimeerde heeft onverklaard gelaten waarom zij thans geen betaald werk meer verricht.
Een WW-uitkering ontbreekt, zodat geconcludeerd kan worden dat zij vrijwillig ontslag heeft genomen.
Geïntimeerde stelt dat zij terecht een beroep heeft gedaan op artikel 4:29 BW.
In het algemeen wordt aangenomen dat de langstlevende echtgenoot behoefte heeft aan het vruchtgebruik op de woning en de inboedel.
Geïntimeerde hoeft, gelet op kamerstukken 1998/99, 17141, niet bij voorbaat aannemelijk te maken dat dit voor haar verzorging nodig is.
Appellanten dienen bij de kantonrechter aan te voeren waarom een vruchtgebruik op de woning of de inboedel voor een passende verzorging van geïntimeerde niet nodig is.
In 2016 is geïntimeerde onderzocht bij P.
Hieruit is geconcludeerd dat zij zwakbegaafd en verstandelijk beperkt is en daarnaast is sprake van autismespectrumstoornis.
In 2019 heeft geïntimeerde gelet op voorgaande diagnose een indicatie banenafspraak gekregen.
Vanaf 2017 had geïntimeerde ook de volledige zorg voor haar echtgenoot.
In september 2019 is haar contract als verzorgende niet verlengd.
De mantelzorg voor haar echtgenoot was dusdanig zwaar dat zij van het UWV vrijstelling kreeg om te solliciteren.
Aan de zijde van geïntimeerde is dan ook sprake van een verzorgingsbehoefte.
Het valt gelet op alle feiten en omstandigheden niet te verwachten dat zij geheel of gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.
Ten tijde van het huwelijk was sprake van een netto besteedbaar inkomen van € 2.700,- per maand en thans ontvangt zij een uitkering van € 900,- netto per maand.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 4:29 lid 1 BW zijn erfgenamen verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik ten behoeve van de echtgenoot van de erflater op de tot diens nalatenschap behorende woning, die ten tijde van het overlijden door de erflater en zijn echtgenoot tezamen of door de echtgenoot alleen bewoond werd, of op de tot de nalatenschap behorende inboedel daarvan, voor zover de echtgenoot van de erflater ten gevolge van uiterste wilsbeschikkingen van de erflater niet of niet enig rechthebbende is tot die woning en voor zover de echtgenoot dit van de erfgenamen verlangt.
Krachtens artikel 4:30 lid 1 BW zijn erfgenamen verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap dan bedoeld in artikel 4:29 BW ten behoeve van de echtgenoot van de erflater, voor zover de echtgenoot daaraan behoefte heeft en die medewerking van hen verlangt.
Ingevolge artikel 4:33 lid 2 kan de kantonrechter, voor zover de echtgenoot, de omstandigheden in aanmerking genomen, voor zijn verzorging aan het vruchtgebruik geen behoefte heeft, op verzoek van een rechthebbende de verplichting tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik opheffen of op verzoek van een hoofdgerechtigde het vruchtgebruik beëindigen.
In lid 5 van dit artikel zijn criteria vermeld waarmee de kantonrechter bij de toepassing van lid 2 in ieder geval rekening houdt, te weten:
a. de leeftijd van de echtgenoot;
b. de samenstelling van de huishouding waartoe de echtgenoot behoort;
c. de mogelijkheid van de echtgenoot om zelf in de verzorging te voorzien door middel van arbeid, pensioen, eigen vermogen dan wel andere middelen of voorzieningen;
d. hetgeen in de gegeven omstandigheden als een passend verzorgingsniveau voor de echtgenoot kan worden beschouwd.
Het hof stelt voorop dat uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de rechten van afdeling 2 Boek 4 BW (“andere wettelijke rechten”) dienen als vangnet voor personen wier verzorging niet of onvoldoende gewaarborgd is (zie ook Hoge Raad, 8 juni 2007, HR:2007:BA2507).
De artikelen 4:29 en 4:30 BW bieden de langstlevende echtgenoot de mogelijkheid om van de erfgenamen (of legatarissen) te verlangen dat zij bepaalde nalatenschapsgoederen aan de echtgenoot in vruchtgebruik geven.
Voor beide artikelen is de verzorgingsbehoefte van de echtgenoot maatgevend, omdat de kantonrechter het vruchtgebruik op verzoek van de erfgenamen (of andere rechthebbenden) kan beëindigen voor zover de echtgenoot daaraan voor zijn verzorging geen behoefte heeft (artikel 4:33 lid 2 BW).
De verzorgingsbehoefte van de echtgenoot hoeft bij het vestigen van een vruchtgebruik op de woning en inboedel niet aan de orde te komen, omdat ervan wordt uitgegaan dat de echtgenoot voor zijn of haar verzorging aan dit vruchtgebruik in de meerderheid van de gevallen wel behoefte zal hebben.
Willen de erfgenamen deze verzorgingsbehoefte toch aan de orde stellen, dan staat hun daarvoor de weg open van artikel 4:33 lid 2.
Eenvoudig gezegd: de stelplicht en bewijslast rust bij appellanten om te bewijzen dat er bij geïntimeerde geen verzorgingsbehoefte ten aanzien van de woning en inboedel aanwezig is.
Voor de omvang van de verzorgingsbehoefte kan er van uit worden gegaan dat de langstlevende echtgenoot aanspraak kan maken op een passende voorziening, maar dat is niet hetzelfde als een aanspraak om onder alle omstandigheden het leefpatroon van voorheen voort te zetten.
Het gaat hier om een vangnet voor het geval door een erflater of anderszins onvoldoende in de verzorging van diens echtgenoot is voorzien.
De omvang kan in elk concreet geval verschillen, waarbij de wettelijke maatstaven omtrent het verschaffen van levensonderhoud tussen gewezen echtgenoten een oriëntatiepunt kunnen vormen.
Erflater en geïntimeerde zijn in 2010 met elkaar gehuwd met koude uitsluiting.
Door de inhoud van het testament van erflater heeft geïntimeerde geen erfrechtelijke aanspraak, de kinderen van erflater uit zijn eerste huwelijk zijn tot erfgenamen benoemd.
In vermogensrechtelijke zin is de positie van geïntimeerde zeer zwak.
Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen is er een leeftijdsverschil tussen erflater en geïntimeerde van vierenveertig jaar.
Uit het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat geïntimeerde van Suriname naar Nederland is geëmigreerd.
Een van de erfgenamen heeft zich tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat geïntimeerde voor de verzorging van erflater naar Nederland is gekomen.
Voorts heeft zij gesteld dat erflater er altijd op heeft aangedrongen dat geïntimeerde in haar eigen levensonderhoud zou voorzien.
Het hof begreep uit de toelichting van de erfgenaam dat geïntimeerde als verzorgster van erflater moet worden beschouwd.
Vast staat dat erflater en geïntimeerde met elkaar zijn getrouwd en dat het huwelijk is ontbonden door het overlijden van erflater.
Het huwelijk is een door de wet geregelde duurzame levensgemeenschap van twee natuurlijke personen.
De wetgever heeft aan het huwelijk een groot aantal rechtsgevolgen verbonden.
Tijdens het huwelijk moeten de echtgenoten elkaar op basis van artikel 1:81 BW het nodige verschaffen.
De echtgenoten dienen naar draagkracht bij te dragen in de kosten van de huishouding.
Door het huwelijk kan er een gemeenschap van goederen ontstaan tenzij partijen bij huwelijkse voorwaarden daarvan afwijken.
Als het huwelijk wordt ontbonden kan de behoeftige ex-echtgenoot aanspraak maken op alimentatie.
De wetgever heeft met de artikelen 4:29 BW en 4:30 BW tot uitdrukking gebracht dat de langstlevende echtgenoot ook na het overlijden van zijn of haar echtgenoot nog verzorgingsaanspraken kan doen geldend maken.
Aan het huwelijk heeft de wetgever juridische gevolgen verbonden dit in tegenstelling tot mensen die formeel of informeel met elkaar samenwonen.
Erflater heeft zelf de keuze gemaakt om met geïntimeerde te trouwen en de erfgenamen zijn derhalve gebonden aan de wettelijke bepalingen die de wetgever aan het huwelijk heeft verbonden ook al beschouwen zij zelf geïntimeerde als louter een verzorgster van erflater.
Ter zitting heeft geïntimeerde, desgevraagd, verklaard dat zij (gefinancierd door erflater) in 2012 haar diploma als helpende niveau twee heeft behaald. Uit het deskundigen onderzoek van het UWV blijkt dat de vrouw ook op MBO zorg niveau één diploma heeft behaald.
Het hof is gebleken dat geïntimeerde sinds 2012 langdurig in de zorg heeft gewerkt, alsook de zorg voor erflater heeft gehad.
Uit de stukken blijkt dat erflater en geïntimeerde ten tijde van het huwelijk hebben geleefd van € 2.700, – netto per maand.
In financiële zin hadden erflater en geïntimeerde een goede levensstandaard.
Dit brengt echter niet met zich dat, gegeven de huidige omstandigheden, dit als een passend verzorgingsniveau voor geïntimeerde kan worden beschouwd.
Immers hier leefden erflater en geïntimeerde gezamenlijk van.
Ook geïntimeerde heeft haar bijdrage in de levensstandaard van partijen geleverd, zo had zij blijkens de aangifte inkomstenbelasting 2018 een bruto jaarinkomen van € 27.000,-.
Uit de aangifte inkomstenbelasting over 2019 blijkt dat geïntimeerde tot en met september dat jaar een bruto inkomen had van € 15.000,-, dit betrof een inkomen binnen en buiten de zorg.
Uit het arbeidsdeskundigen onderzoek van het UWV blijkt voorts dat geïntimeerde deels arbeidsongeschikt is verklaard.
Op dit moment heeft geïntimeerde geen inkomsten uit arbeid.
Gezien de situatie waarin geïntimeerde op dit moment verkeerd is het niet te verwachten dat zij snel in haar levensonderhoud kan voorzien.
Haar inkomsten zijn thans onvoldoende om een passende woning te kopen of te huren.
Gezien de leeftijd van geïntimeerde mag wel worden verlangd dat zij op termijn volledig in haar eigen levensonderhoud gaat voorzien.
Als dat het geval is dan kan zij van haar inkomen een passende woning huren.
Gezien de lotsverbondenheid van het huwelijk en de nawerking daarvan mag aan geïntimeerde een ruime termijn worden verstrekt om weer volledig op krachten te komen alvorens van haar in redelijkheid kan worden verlangd dat zij weer volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.
Gezien de situatie waarin geïntimeerde op dit moment verkeert acht het hof het passend dat er een vruchtgebruik op de voormalige echtelijke woning en de inboedel wordt gevestigd voor een periode van 10 jaar na datum van overlijden van erflater.
Geïntimeerde heeft dan ruimschoots de tijd om haar eigen leven weer op de rails te krijgen.
Het hof vernietigt de bestreden beschikking op dit punt en zal het vruchtgebruik beperken tot een termijn van 10 jaar na datum overlijden van erflater.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.