Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs uitspraak gedaan over de vaststelling van de omvang van de geldvordering van de kinderen bij een wettelijke verdeling.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het aandeel van verzoekster in de nalatenschap van haar vader in de vorm van een geldvordering op moeder al in onderling overleg tussen partijen is vastgesteld, of dat die nog vastgesteld moet worden.
Voor het laatste geval verzoekt verzoekster het hof die vordering vast te stellen.
Erfrecht. Wettelijke verdeling. Vaststellen omvang geldvordering ex art. 4:15 BW. Is hierover al overeenstemming bereikt? Legaat tegen inbreng. Informatieverstrekking.
De rechter oordeelt als volgt.
De bewindvoerder van moeder is in de procedure verschenen en heeft daarmee haar positie in het geding overgenomen.
In het testament is bepaald dat daarop “afdeling 4.3.1 Burgerlijk Wetboek (wettelijke verdeling) ” van toepassing is, dus de artikelen 4:13 BW e.v.
In artikel 4:15, eerste lid, BW is bepaald dat voor zover de erfgenamen niet tot overeenstemming kunnen komen over de vaststelling van de geldvordering bedoeld in artikel 4:13 lid 3 BW, die door de kantonrechter wordt vastgesteld op verzoek van een partij.
Artikel 4:16 lid 1 BW bepaalt dat de echtgenoot en ieder kind kunnen verlangen dat een boedelbeschrijving wordt opgemaakt die een waardering bevat van de goederen en de schulden van de nalatenschap.
Het vierde lid van dat artikel bepaalt dat de echtgenoot en ieder kind jegens elkaar recht hebben op inzage in en afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven.
Uit de correspondentie tussen partijen zoals die hiervoor is weergegeven onder de vaststaande feiten, blijkt voldoende duidelijk dat verzoekster niet heeft ingestemd met de vaststelling van haar geldvordering op een bepaald bedrag.
Er is weliswaar overeenstemming bereikt over de bedragen voor de aangifte erfbelasting, maar dat houdt nog niet in de vaststelling van de geldvordering als bedoeld in artikel 4:13 BW.
Verzoekster is onvoldoende duidelijk geweest over de wijze waarop die vaststelling dan wel moet plaatsvinden en welke uitgangspunten daarbij gehanteerd zouden moeten worden.
In het bijzonder is voor het hof onvoldoende duidelijk of zij ook van mening is dat voor de vaststelling van haar geldvordering het testament van vader bepalend is.
In dat verband wordt het volgende overwogen.
In het testament is aan moeder gelegateerd het aandeel van vader in het agrarische bedrijf.
Dat legaat is aanvaard.
In het testament is bepaald dat aanvaarding plaatsvindt tegen inbreng van de waarde van het legaat in de nalatenschap.
Daarover is bepaald: “Die waarde is gelijk aan de waarde welke de legataris zou dienen te vergoeden indien zij de onderneming niet krachtens legaat had verworven, maar indien zij die onderneming had verworven krachtens het toedelings- en overnamerecht uit de ten tijde van mijn overlijden geldende samenwerkingsakte.
Een in de betreffende samenwerkingsakte opgenomen betalingsregeling is hierbij van toepassing.”
Bij de vaststelling van de geldvordering zou volgens het testament dus de inbreng door moeder van de waarde van haar legaat in aanmerking moeten worden genomen, waarbij de hoogte van die inbreng bepaald zou moeten worden op de wijze als in de samenwerkingsakte aangegeven.
Kortom, het hof heeft alvorens verdere stappen te zetten om te komen tot een vaststelling van de geldvordering die verzoekster heeft op moeder, behoefte aan een duidelijke uitlating van verzoekster over de vraag hoe volgens haar moet worden gekomen tot een vaststelling van die geldvordering, welke uitgangspunten daarbij zouden moeten worden gehanteerd en waarom.
Het hof zal de zaak voor die uitlating verwijzen naar de rol.
Indien verzoekster voor die uitlating eerst inzage zou willen hebben in nadere financiële bescheiden waarover de andere erfgenamen beschikken, dan wijst het hof de andere erfgenamen op hun verplichting om die inzage te verstrekken.
Indien verzoekster de benoeming van deskundige(n) zou voorstellen om haar geldvordering (en die van de andere erfgenamen) nader vast te stellen, dan wordt zij in de gelegenheid gesteld namen van eventueel te benoemen deskundige(n) voor te dragen.
Zij kan daarbij ook een voorstel doen voor aan die deskundige(n) voor te leggen vragen.
In dat geval verdient het aanbeveling dat wordt geprobeerd al vooraf onderlinge overeenstemming te verkrijgen over de persoon of personen van de te benoemen deskundige(n).
Indien verzoekster zich beroept op het testament, wordt haar verzocht om de samenwerkingsakte waarnaar in het testament wordt verwezen in te brengen in de procedure.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.