De Rechtbank Gelderland heeft onlangs uitspraak gedaan over de vaststelling van de hoogte van de geldvordering op langstlevende echtgenoot bij een wettelijke verdeling..

De kern van het geschil betreft de vraag of eiseres een vordering heeft op de nalatenschap van de heer A uit hoofde van de wettelijke verdeling van de nalatenschap van erflaatster.

Eiseres is van mening dat dit het geval is en voert daartoe aan dat de nalatenschap van erflaatster positief is.

Op grond van artikel 4:13 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft zij een vordering op de nalatenschap van de heer A.

Eiseres begroot haar vordering op € 26.813,39.

Zij heeft een vermogensopstelling gemaakt waaruit dit bedrag volgt.

Verder stelt zij dat gedaagde deze vordering heeft erkend door deze op te nemen in de aangifte erfbelasting in de nalatenschap van de heer A.

Gedaagde betwist de vordering van eiseres.

Zij voert aan dat de nalatenschap van erflaatster blijkens het vermogensoverzicht van mr. W negatief is, zodat eiseres geen vordering heeft.

Voor zover niet van dit vermogensoverzicht uitgegaan moet worden, betwist gedaagde de door eiseres begrote omvang van haar vordering.

Erfrecht. Wettelijke verdeling. Vordering op langstlevende echtgenoot. Vaststelling van de hoogte van de vordering. Bevoegdheid rechter. Verwijzing naar de verzoekschriftprocedure kantonrechter.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of zij bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen.

Gedaagde heeft aangevoerd dat in het testament van erflaatster is opgenomen dat bij gebrek aan overeenstemming over de waardering van de goederen en schulden van de nalatenschap van erflaatster die waardering moet geschieden door een deskundige, te benoemen door de kantonrechter.

Gedaagde heeft in dit verband gewezen op artikel D.

Zij neemt het standpunt in dat eiseres geen vorderingsrecht heeft zolang de omvang van de nalatenschap (nog) niet door een deskundige in kaart is gebracht.

Naar de rechtbank begrijpt, betwist gedaagde daarmee dat de rechtbank op dit moment bevoegd is kennis te nemen van de vordering.

Uit het feit dat eiseres haar eis vervolgens heeft vermeerderd en heeft gevorderd dat de rechtbank een deskundige benoemt volgt dat eiseres bestrijdt dat de rechtbank niet bevoegd is.

In artikel D heeft erflaatster bepaald dat binnen een jaar een notariële akte wordt opgesteld. Die akte is er niet, en inmiddels is de termijn van een jaar ruimschoots verstreken.

In zoverre kan in elk geval niet meer aan deze bepaling worden voldaan.

De rechtbank leest artikel D niet zo, dat erflaatster bedoeld heeft de weg naar de rechter te blokkeren.

Uit niets volgt in ieder geval dat erflaatster heeft bedoeld te bepalen dat er na het verstrijken van de termijn van een jaar alsnog eerst een notariële akte moet worden opgesteld voordat eiseres naar de rechter kan.

Ook de aanwijzing van de kantonrechter als bevoegde rechter om een deskundige te benoemen leest de rechtbank in het licht van het opstellen van de notariële akte en het overleg tussen de erfgenamen.

Dat overleg is er niet en die akte komt er niet.

Slechts voor de situatie dat er overleg is en partijen het over een waarde niet eens worden, heeft erflaatster bepaald dat de kantonrechter een deskundige benoemt.

Omdat die situatie niet aan de orde is, is de rechtbank in zoverre bevoegd.

Ook uit de artikelen 4:15 en 4:16 BW volgt echter dat de kantonrechter bevoegd is als het gaat om de waardering van de goederen van de nalatenschap en de vaststelling van de vordering uit hoofde van de verdeling.

Desalniettemin dient de zaak naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer in zijn geheel verwezen te worden naar de kantonrechter.

Ook als er geen geschil zou zijn over de waarde van de goederen en schulden van de nalatenschap, kan het immers voorkomen dat iemand zijn of haar erfdeel niet krijgt uitbetaald.

Voor een vordering tot betaling van een geldsom is de rechtbank bevoegd als deze meer dan € 25.000 bedraagt.

Dit geldt overigens ook voor een vordering tot verdeling van een gemeenschap.

Primair vordert eiseres in dit geval uitbetaling van haar erfdeel en zij voert daarbij onder meer aan dat gedaagde de hoogte hiervan al heeft erkend.

Dan hoeft in ieder geval niet eerst een procedure bij de kantonrechter te worden gevoerd.

Pas op het moment dat over de hoogte van de geldvordering discussie ontstaat en waardering een rol gaat spelen, komt de vraag aan de orde in hoeverre de rechtbank zelf een deskundige kan benoemen en hoe dit zich verhoudt met de artikelen 4:15 en 4:16 BW.

Gelet hierop zal de rechtbank hierna al zoveel mogelijk ingaan op de vorderingen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.