Van onze advocaat kindsdeel. De Rechtbank Rotterdam heeft op 1 november 2017 uitspraak gedaan over de vraag wie (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de terugbetaling van het door schuldeiser aan erflater en aan zijn ex-echtgenote uitgeleende bedrag? De ex-echtgenote, de echtgenote en/of de kinderen?
Erflater is op 4 september 2015 overleden en heeft nagelaten zijn echtgenote en zijn twee kinderen, gedaagden 2, 3 en 4.
Wie is (hoofdelijk) aansprakelijk voor de terugbetaling van het door schuldeiser aan erflater en aan zijn ex-echtgenote uitgeleende bedrag? De ex-echtgenote, de echtgenote en/of de kinderen?
Het feit dat erflater geen uiterste wilsbeschikking heeft gemaakt brengt met zich dat de wettelijke verdeling van artikel 4:13 BW en volgende van toepassing is. Weliswaar zijn gedaagde 3 en 4 als kinderen van erflater naast gedaagde 2 als schuldenaar aansprakelijk, hun vermogen is echter in beginsel niet uitwinbaar.
Slechts uitwinbaar is de vordering die ieder kind krijgt toegedeeld op grond van artikel 4:13 lid 3 BW. Artikel 4:14 lid 1 BW bepaalt dat de echtgenote van de erflater tegenover de schuldeisers en tegenover de kinderen verplicht is tot voldoening van de schulden der nalatenschap. In de onderlinge verhouding van de echtgenote en de kinderen komen de schulden der nalatenschap voor rekening van de echtgenote. Het feit dat de huwelijksgemeenschap van erflater en gedaagde 1 nog niet is verdeeld, doet daar niet aan af. Op grond van artikel 4:182 lid 2 BW is gedaagde 2 van rechtswege schuldenaar geworden van de schulden van de erflater die niet met zijn dood zijn tenietgegaan.
De vordering op gedaagde 3 en 4 kan niet worden vastgesteld daar onduidelijk is of zij een vordering hebben op gedaagde 2 op grond van de wettelijke verdeling en zo ja, hoe hoog die vordering is. Als onvoldoende bepaalbaar zal deze vordering worden afgewezen.
Ter beoordeling ligt nog voor de vraag of gedaagde 2 en gedaagde 3 en 4 in hun eigen vermogen aangesproken kunnen worden voor deze schuld.
Ten aanzien van gedaagde 3 en 4 wordt overwogen dat artikel 4:184 lid 2 aanhef en sub a BW aan de toewijzing van de vordering jegens hen in de weg staat.
Ten aanzien van gedaagde 2 wordt overwogen dat ingevolge artikel 4:184 lid 2 sub d BW voor het aannemen van een dergelijke aansprakelijkheid nodig is dat gedaagde 2 als vereffenaar in de vervulling van haar verplichtingen als zodanig in ernstige mate tekort is geschoten en dat haar daarvan een verwijt gemaakt kan worden. Wanneer bij vergissing of uit onwetendheid verplichtingen niet worden nageleefd zal een vereffenaar geen verwijt kunnen worden gemaakt in de zin van artikel 4:184 BW.
In dit geval is sprake van een zogeheten ‘lichte vereffening’. Dit brengt met zich dat gedaagde 2 en gedaagde 3 en 4 gehouden zijn tot het opmaken van een boedelbeschrijving, het per brief oproepen van de bekende schuldeisers en het voldoen van de schulden van de nalatenschap.
Tussen partijen staat vast dat gedaagde 2 namens gedaagde 2 en gedaagde 3 en 4 de vereffening uitvoert. Gedaagde 2 heeft onbetwist gesteld dat zij in dit kader tezamen met de voormalig accountant van erflater de schulden van erflater in kaart heeft gebracht. Uit de door haar overgelegde producties blijkt dat dit onder meer is gebeurd door schuldeisers schriftelijk te benaderen. Daarmee heeft zij aan de verplichting ex artikel 4:214 lid 2 BW voldaan en heeft zij een begin gemaakt met de boedelbeschrijving. Deze omstandigheden in aanmerking genomen kan niet worden gezegd dat in dit specifieke geval sprake is van een in ernstige mate en verwijtbaar tekort schieten door gedaagde 2 in de vervulling van de taken als vereffenaar. De op die grond ingestelde vordering zal dan ook worden afgewezen.
Hoofdelijkheid?
Gedaagde 2 aansprakelijkheid berust op artikel 4:182 lid 2 BW. De aansprakelijkheid van gedaagde 3 en 4 is beperkt tot de vordering die ieder kind krijgt toegedeeld op grond van artikel 4:13 lid 3 BW.
Indien meerdere personen als erfgenaam opvolgen, zijn zij ieder naar rato van hun erfdeel voor de schulden van de nalatenschap verbonden (artikel 4:182 lid 2 BW), van hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van de kredietovereenkomst is dan ook geen sprake met betrekking tot gedaagde 2 en/of gedaagde 3 en 4. Weliswaar heeft gedaagde 1 in haar schriftelijke verklaring van 9 juni 2007 erkend dat zij hoofdelijk aansprakelijk is, echter van hoofdelijkheid in de zin van artikel 6:6 BW is gelet op het vorenstaande na het overlijden van erflater geen sprake meer.
Vervolgens is aan de orde de vraag wie van partijen aanspraak kan maken op het bedrag dat de notaris krachtens de depotovereenkomst van 1 juli 2016 onder zich houdt. In het vonnis van 13 mei 2015 is bepaald dat een na verkoop van de echtelijke woning en aflossing van de hypothecaire geldlening nog openstaand positief saldo tussen partijen bij helfte zal worden gedeeld. Partijen in dat vonnis zijn gedaagde 1 en erflater. Dit betekent dat op grond van voormeld vonnis het bedrag van € 18.431,21 bij helfte aan gedaagde 1 toekomt en de gevorderde verklaring voor recht voor wat dat betreft zal worden toegewezen.
Dit geldt niet voor zover ING heeft gevorderd een verklaring voor recht dat zij gedurende de vereffening van de nalatenschap van erflater haar vordering ten aanzien van voornoemd deel van het depot al ten uitvoer kan leggen. Een dergelijke vordering betreft namelijk geen verklaring voor recht maar een feitelijke veroordeling. ING heeft gesteld dat het depot waarop zij beslag heeft gelegd aan haar uitgekeerd dient te worden. Daartegen heeft gedaagde 1 geen bezwaar gemaakt. Op grond van het onderhavige vonnis en de depotovereenkomst kan daarom bij de notaris worden verzocht.
De andere helft van het in depot staande bedrag komt op grond van het vonnis van deze rechtbank van 13 mei 2015 toe aan gedaagde 2 als gevolg van de wettelijke verdeling. Dit bedrag dient te worden betrokken bij de afwikkeling van de vereffening van de nalatenschap en de in dat kader te verrichten betalingen aan de schuldeisers (waaronder de ING). Zonder nadere onderbouwing, die ING niet heeft gegeven, valt niet in te zien waarom ING thans voorrang zou hebben boven de andere schuldeisers van erflater. Nu de vereffening nog niet is afgewikkeld, zal de vordering van ING jegens gedaagde 2 worden afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening, de verdeling of over de afwikkeling van een erfenis, over het kindsdeel of de legitieme, of over de schulden van de nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.