Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over het ontslag van twee bewindvoerders.

Verzoekster was gehuwd met erflater onder huwelijkse voorwaarden. Erflater heeft geen kinderen of andere afstammelingen achtergelaten. In zijn testament van 16 december 2000 heeft erflater de stichtingen tot zijn enige erfgenamen benoemd.

In zijn testament van 16 december 2000 heeft erflater, voor zover hier van belang, aan verzoekster een legaat gemaakt van het vruchtgebruik van zijn zuivere nalatenschap en een bewind ingesteld over de goederen van zijn nalatenschap met benoeming van twee bewindvoerders, onder wie de vruchtgebruikster.

De gevolgen van het bewind zijn afhankelijk van de strekking van het bewind.

De erflater heeft de strekking van dit bewind in zijn testament (onderdeel 6 van de bepalingen ten aanzien van het bewind) verwoord als volgt:

“Zoals uit één en ander blijkt beoog ik met dit bewind, naast de administratie en instandhouding van het kapitaal, ook de behartiging van de redelijke belangen van de vruchtgebruiker, waarvoor zo nodig het belang van de instandhouding van het kapitaal moet wijken en waarbij de andere bewindvoerder en de hoofdgerechtigden ernstig met de wensen van de vruchtgebruiker rekening zullen moeten houden en de bewindvoerders uiteindelijk beslissen.”

Daaruit vloeit voort dat het bewind zowel in het belang van de hoofdgerechtigden (de erfgenamen) als in dat van de vruchtgebruikster (verzoekster) is ingesteld, maar dat het belang van de instandhouding van de goederen van de nalatenschap (het (vruchtgebruik)kapitaal) voor redelijke belangen van verzoekster moet wijken. Het zijn de bewindvoerders aan wie erflater de (uiteindelijke) beslissing daarover opdraagt.

Op de rechtsverhouding tussen verzoekster als vruchtgebruikster en de erfgenamen als hoofdgerechtigden zijn de bepalingen in het testament daarover en, voor zover daarvan niet is afgeweken, de wettelijke bepalingen over vruchtgebruik in titel 3.8 Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing.

De erflater heeft aan verzoekster als vruchtgebruikster op de voet van artikel 3:215 BW de bevoegdheid gegeven tot vervreemding en vertering van aan het vruchtgebruik onderworpen goederen, maar voegt daaraan toe dat zij die bevoegdheid heeft “met inachtneming der bewindsbepalingen.”

Op het bewind op de goederen van de nalatenschap zijn de bepalingen in het testament van toepassing en voor zover daarvan niet is afgeweken de bepalingen van afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 BW. Ter mondelinge behandeling hebben alle partijen unaniem verklaard dat het bewind niet is ingesteld op het gelegateerde vruchtgebruik

Ontslag van bewindvoerders? Gewichtige reden. Vertrouwensbreuk. Legaat van vruchtgebruik.

De rechter oordeelt als volgt.

Volgens artikel 4:164 lid 1 onder e BW eindigt de hoedanigheid van bewindvoerder door ontslag dat de kantonrechter hem met ingang van een bepaalde dag verleent.

Lid 2 van voornoemd artikel bepaalt dat het ontslag door de kantonrechter aan de bewindvoerder wordt verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen, zulks op verzoek van een medebewindvoerder, van de rechthebbende, van iemand in wiens belang het bewind is ingesteld of van het Openbaar Ministerie, dan wel ambtshalve.

Hangende het onderzoek kan de kantonrechter voorlopige voorzieningen treffen en de bewindvoerder schorsen.

Verzoekster stelt dat er een drietal gewichtige redenen is om verweerder als bewindvoerder te ontslaan, te weten:

  1. verweerder is niet in staat tot een behoorlijke uitoefening van zijn taken;
  2. verweerder verwaarloost zijn verplichtingen als tweede bewindvoerder en
  3. er is sprake van een ernstige vertrouwensbreuk tussen verzoekster en verweerder.

Het hof zal eerst de derde door [verzoekster] aangevoerde reden bespreken.

Erflater heeft bepaald dat de bewindvoerders in de uitoefening van hun functie steeds gezamenlijk moeten handelen (onderdeel C.d.2 van het testament van erflater).

Het hof stelt vast dat zowel verzoekster als verweerder alsook de hoofdgerechtigden ervan uitgaan dat sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk tussen de beide bewindvoerders.

Uit de stukken en de verklaringen op de mondelinge behandeling volgt dat zij niet langer samen in staat zijn beslissingen te nemen ten aanzien van de rechten op vervreemding en vertering van de vruchtgebruikster, het gebruik van de woning, de kosten van onderhoud van de woning en de zeggenschapsrechten inzake de aandelen in de BV.

Deze ernstige vertrouwensbreuk belet aldus dat de bewindvoerders op goede wijze uitvoering kunnen geven aan de hun gezamenlijk opgedragen taak.

De belangen die erflater met het bewind op het oog heeft, te weten het belang van de hoofdgerechtigden enerzijds en het belang van de vruchtgebruikster anderzijds, komen daardoor ernstig in het gedrang.

Het hof ziet in de ernstige vertrouwensbreuk en de gevolgen daarvan voor de uitvoering van het bewind dan ook een gewichtige reden voor ontslag van verweerder als bewindvoerder.

De overige, hiervoor onder 1 en 2 door verzoekster aangevoerde redenen voor ontslag behoeven gelet daarop geen nadere beoordeling meer.

Het hof zal het verzoek van verzoekster dan ook toewijzen.

Het hof stelt vast dat ook de verstandhouding tussen verzoekster en de erfgenamen ernstig verstoord is, zowel in de verhouding vruchtgebruikster/hoofdgerechtigden als in de verhouding bewindvoerster/erfgenamen.

Zij zijn ernstig verdeeld over de mogelijkheden en de wijze van uitvoering van de bevoegdheden tot vervreemding en vertering die verzoekster als vruchtgebruikster toekomen en over de wijze waarop het bewind moet worden uitgevoerd.

Zij verschillen ook van mening over de uitleg van de bepalingen die de erflater ten aanzien van het bewind heeft gemaakt. Ze verwijten elkaar alleen oog te hebben voor het eigen belang en niet voor het belang van de ander en zijn niet meer in staat tot goed en constructief overleg daarover.

De erfgenamen hebben aangekondigd aan de rechtbank Midden-Nederland verzoeken te doen die ertoe strekken dat het vruchtgebruik ten aanzien van de woning is geëindigd zodat verzoekster de woning moet ontruimen en dat de reikwijdte van haar bevoegdheid tot vertering ten aanzien van de BV beperkt is.

Bij dit hof is ook nog het hoger beroep aanhangig dat de erfgenamen hebben ingesteld tegen het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 4 juli 2017.

Deze ernstige vertrouwensbreuk belet dat verzoekster als bewindvoerster op goede wijze uitvoering kan geven aan de uitvoering van het bewind en niet alleen haar eigen redelijke belangen, maar ook de belangen van de erfgenamen, kan behartigen.

De evenwichtige belangenbehartiging die erflater met het bewind op het oog heeft, komt daardoor ernstig in het gedrang.

Het hof ziet in deze ernstige vertrouwensbreuk en de gevolgen daarvan voor de uitvoering van het bewind dan ook een gewichtige reden voor ontslag van verzoekster als bewindvoerster en zal daartoe ambtshalve overgaan.

De erflater heeft bij het instellen van het bewind uitdrukkelijk bepaald dat het een “bewind van twee bewindvoerders” is. Het hof ziet geen aanleiding daarin wijziging te brengen en af te wijken van hetgeen de erflater heeft bepaald. Het hof zal het verzoek van verzoekster het instituut van de tweede bewindvoerder op te heffen afwijzen.

De erflater heeft in zijn testament niet voorzien in een regeling tot benoeming van bewindvoerders voor het geval deze komen te ontbreken.

Dat betekent dat de erfgenamen en/of verzoekster de kantonrechter op grond van artikel 4:157 lid 1 BW moeten verzoeken twee nieuwe bewindvoerders aan te wijzen.

Aan het hof is slechts verzocht bij ontslag van verweerder een nieuwe bewindvoerder te benoemen.

Het hof zal dat verzoek afwijzen. Vanwege het ontslag van verzoekster dienen nu immers twee nieuwe bewindvoerders te worden benoemd.

Het hof is van oordeel dat het hier in het belang van een goed bewind nodig is dat de kantonrechter beide nieuwe bewindvoerders tegelijkertijd aanwijst en zich vergewist van de bereidheid van de door hem te benoemen personen.

De kantonrechter is daartoe betere geëquipeerd dan het hof. Het hof zal aan verzoekster en verweerder ontslag verlenen met ingang van de dag dat degenen die door de kantonrechter zijn benoemd bewindvoerder zijn geworden (artikel 4:157 lid 5 BW).

De omstandigheid dat beide bewindvoerders vanwege de ernstig verstoorde verstandhouding tussen verzoekster, verweerder en de erfgenamen worden ontslagen, is aanleiding voor compensatie van de proceskosten.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over de taken en bevoegdheden van een executeur of bewindvoerder of over het ontslag van een executeur of bewindvoerder, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.