De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 13 maart 2019 uitspraak gedaan over de vraag of een vordering van een weduwe op de notaris strandde op de schending van de klachtplicht.

De rechtsverhouding waarover het in deze procedure gaat, betreft de verhouding tussen een schuldeiser van de nalatenschap (eiseres) en de echtgenoot van de erflater (gedaagde).

Bij die rechtsverhouding zijn de overige erfgenamen (de kinderen) niet betrokken, althans niet in die zin dat het rechtens noodzakelijk is dat daarover ook ten aanzien van hen een gelijkluidende beslissing moet worden genomen.

Opdracht aan notaris. Tekortkoming van notaris. Vordering op notaris. Klachtplicht?

De rechter oordeelt als volgt.

De klachtplicht als bedoeld in artikel 6:89 BW

Artikel 6:89 BW is van toepassing op alle verbintenissen en dus ook op de dienstverlening door een notaris.

In een contractuele relatie als in het voorliggende geval (de Notaris handelde in opdracht van onder andere eiseres) vallen de werkzaamheden van de Notaris aan te merken als het verrichten van een ‘prestatie’ als bedoeld in artikel 6:89 BW (vgl. Gerechtshof Arnhem,GHARN:2010:BO6672).

Daaruit volgt dat eiseres in beginsel binnen bekwame tijd na ontdekking van het door haar gestelde gebrek in die prestatie bij de Notaris, althans bij gedaagde als rechtsopvolger van de Notaris, diende te protesteren.

De klachtplicht geldt voor iedere rechtsvordering die feitelijk is gegrond op een gebrek in de prestatie, ook indien de eisende partij op deze grondslag een rechtsvordering uit onrechtmatige daad baseert (Hoge Raad, 23 november 2007, HR:2007:BB3733).

De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten die een beroep op artikel 6:89 BW kunnen dragen, rusten in beginsel op gedaagde, omdat het door haar gevoerde verweer dat niet tijdig is geklaagd een bevrijdend verweer is.

Het ligt dan ook op haar weg voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit kan volgen op welk moment eiseres heeft ontdekt of bij een redelijkerwijs van haar te vergen onderzoek had behoren te ontdekken dat de verrichte prestatie niet aan de overeenkomst beantwoordt, alsmede dat het tijdsverloop vanaf dat moment tot aan het moment waarop zij geklaagd heeft, zo lang is geweest dat niet kan worden gesproken van een tijdige klacht.

Voor het bepalen van de lengte van de termijn waarbinnen moet worden geprotesteerd zijn onder andere van belang de waarneembaarheid van het gebrek, de deskundigheid van partijen en het antwoord op de vraag of de schuldenaar nadeel heeft geleden door het tijdsverloop totdat is geklaagd.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een tekortkoming van een notaris, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.