Van onze advocaat kindsdeel. De Rechtbank Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of het testament nietig was wegens een geestelijke stoornis van erflater.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het testament op grond van artikel 3:34 lid 2 BW nietig is. De eerste volzin van het eerste lid van dat artikel luidt:

Heeft iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan.

Tussen partijen is in geschil of een met de in het testament neergelegde verklaring overeenstemmende wil van erflater geacht moet worden te hebben ontbroken op de grond dat de verklaring onder invloed van een geestelijke stoornis is gedaan.

Bewijslast nietigheid testament

Ingevolge de in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) opgenomen hoofdregel van bewijslastverdeling rust op eiser, die zich immers op de rechtsgevolgen van de door hen gestelde nietigheid beroept, de bewijslast ten aanzien van de door hen gestelde geestelijke stoornis van erflater ten tijde van het passeren van het testament.

Dit brengt met zich dat eiser op grond van hun onlosmakelijk aan de bewijslast verbonden stelplicht voldoende feiten en omstandigheden dienen aan te voeren, en, bij voldoende betwisting, dus dienen te bewijzen, die kunnen leiden tot de vaststelling van de gestelde stoornis. Bovendien brengen de op eiser rustende stelplicht en bewijslast met zich dat zij voldoende feiten en omstandigheden dienen aan te voeren en zo nodig te bewijzen die kunnen leiden tot het oordeel dat de stoornis erflater een redelijke waardering van de betrokken belangen belette of dat de verklaring die heeft geleid tot het passeren van het testament onder invloed van die stoornis is gedaan. Bij de beoordeling kunnen ook van belang zijn feiten en omstandigheden die zijn voorafgegaan aan of zijn gevolgd op het passeren van het testament.

De advocaat van eiser heeft ter onderbouwing van het beroep op nietigheid het navolgende aangevoerd. Er was bij erflater in de laatste jaren van zijn leven sprake van vergeetachtigheid die uiteindelijk heeft geresulteerd in dementie. Erflater had twee beroertes gehad, leed in de maanden voor zijn overlijden aan prostaatkanker en slikte daarvoor veel medicijnen, een morfineachtige pijnstiller die volgens de bijsluiter bijwerkingen met zich kan brengen als sufheid, verwardheid, abnormale gedachten en depressie. Op de dag dat het testament werd verleden, zijn 82ste verjaardag, was erflater afwezig, kon hij niet goed spreken of anderszins communiceren en was hij niet in staat om zelfstandig te eten en te drinken. De inhoud van het testament strookt niet met hetgeen erflater tijdens zijn leven herhaaldelijk heeft medegedeeld, te weten dat hij zijn kinderen en zijn zus goed verzorgd wilde achterlaten.

De rechtbank is van oordeel dat de door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden, in het licht van de gemotiveerde betwisting door gedaagde, een onvoldoende substantiëring vormen voor de door hen gestelde geestelijke stoornis bij erflater ten tijde van het passeren van het testament op 14 juli 2008, en voor de door hen gestelde beslissende invloed van deze stoornis op de inhoud van dit testament. Dit heeft tot gevolg dat, anders dan namens eiser is bepleit, van een omkering van de bewijslast of van voorshandse aannemelijkheid van de stellingen van eiser geen sprake kan zijn.

Wat betreft de stelling dat erflater leed aan dementie overweegt de rechtbank dat deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd. Daarnaar ter comparitie gevraagd, heeft eiser medegedeeld niet te weten of de diagnose dementie is gesteld, laat staan door wie, maar dat zij zelf de indruk hadden dat erflater dement was gelet op de manier waarop erflater zich gedroeg. De stelling dat erflater dement was, vindt dus geen steun in enige door een medicus gestelde verwante diagnose. Daarbij komt dat uit de overgelegde pagina’s uit het huisartsenjournaal, die de periode van 14 september 2007 tot en met 18 juli 2008 beslaan, ook niets blijkt van geestelijke problemen en/of dementieverschijnselen bij erflater.

Een andere belangrijke pijler onder de stelling van eiser is dat erflater door de beroertes en de prostaatkanker en door de behandelingen en de medicijnen die hij daarvoor kreeg, vooral de pijnstiller OxyContin, afwezig, verward en versuft was en bijna niet meer kon praten, waardoor communicatie met hem niet of nauwelijks mogelijk was.

Tussen partijen is niet in geschil dat erflater beroertes had gehad en aan prostaatkanker leed, dat hij als pijnbestrijding OxyContin gebruikte en dat hij als gevolg van deze ziektes veranderd was, in die zin dat hij veel dingen niet meer zelfstandig kon doen, hij moest bijvoorbeeld overal naar toe worden gebracht en dat praten en communiceren moeilijk was. Dit volgt ook uit de overgelegde schriftelijke verklaringen van een aantal vrienden en bekenden van erflater die hem op, of kort voor, zijn verjaardag hebben bezocht. Samenvattend verklaren zij dat erflater op zijn verjaardag afwezig was, niet reageerde op felicitaties, hen niet meer herkende en in het geheel niet sprak.

Testament nietig wegens geestelijke stoornis erflater?

Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit echter niet dat erflater de verklaringen in het testament van 14 juli 2008 heeft gedaan onder invloed van een geestelijke stoornis. Dat sprake was van fysieke beperkingen als gevolg van zijn ziektes en mogelijk medicijngebruik, zoals afwezig zijn en nauwelijks kunnen praten, brengt immers niet zonder meer met zich dat erflater ook niet in staat was zijn wil te bepalen.

De overgelegde verklaringen bevatten geen of onvoldoende concrete feiten die duiden op een stoornis van de geestvermogens van erflater, waardoor hij zijn wil niet meer kon bepalen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het testament op 14 juli 2008 is verleden ten overstaan van een notaris, die in de mentale gesteldheid van erflater kennelijk geen belemmering heeft gezien om het testament te verlijden, terwijl zij, gelet op de richtlijnen die voor notarissen gelden, wel een beoordeling moest maken over de vraag of erflater geestelijk capabel was.

Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat het testament weliswaar op 14 juli 2008 is verleden, maar dat het besluit om het nieuwe testament op te maken door erflater kennelijk al in februari 2008 is genomen en dat toen kennelijk ook de inhoud van het testament is bepaald, terwijl uit de hierboven genoemde verklaringen volgt dat de fysieke toestand van erflater in korte tijd verslechterd was en dat er geen enkele aanwijzing is dat die toestand al langere tijd bestond. Het tijdsverloop tussen het opstellen van het concept en verlijden van het testament duidt er veeleer op dat sprake is geweest van een weloverwogen beslissing van erflater.

Ook de inhoud van het testament kan naar het oordeel van de rechtbank niet dienen ter onderbouwing van de stelling dat het testament van 14 juli 2008 is opgemaakt onder invloed van een geestelijke stoornis. De rechtbank neemt daarbij, in aanvulling op hetgeen hierboven is overwogen, in aanmerking dat zelfs als ervan wordt uitgegaan dat erflater bij leven steeds heeft verklaard dat hij zijn kinderen goed verzorgd zou achterlaten, het testament daarmee niet in strijd is, nu in het testament niet van de wettelijke erfopvolging is afgeweken, waardoor eiser nog steeds recht hebben op hun wettelijk erfdeel. De uitsluiting van de wilsrechten leidt weliswaar ertoe dat eiser nu niet de overdracht van bepaalde goederen kunnen opeisen, maar dat strookt met hetgeen ter comparitie door gedaagde naar voren is gebracht, te weten dat erflater graag wilde dat al zijn bezittingen bij elkaar zou blijven. Die wens van erflater volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit het de door eiser overgelegde verklaring van X dat hij had besloten dat hij een constructie zou bedenken voor behoud van zijn eigendommen.

Aan de ook in dit verband aangevoerde stelling van eiser dat erflater bij leven ook steeds had medegedeeld dat hij zijn zus goed verzorgd zou achterlaten, gaat de rechtbank voorbij, nu gesteld noch gebleken is dat erflater deze zus in een eerder opgemaakt testament wel in de verdeling van de nalatenschap had betrokken.

De rechtbank komt gezien het voorgaande tot de slotsom dat niet kan worden uitgegaan van een geestelijke stoornis bij erflater ten tijde van het verlijden van het testament en dus evenmin van enige invloed van een dergelijke stoornis op de inhoud van dat testament. Nietigheid van het testament is dan ook niet aan de orde.

Heeft u vragen over het wettelijk erfdeel, het kindsdeel, de legitieme portie of over de nietigheid van een testament, belt u dan gerust met onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan ook onze pagina over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.