Van onze advocaat kindsdeel. De Rechtbank Amsterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de berekening van de niet-opeisbare vordering uit een ouderlijke boedelverdeling. Dat betekent voor de erfgenamen een verdeling waarbij alle goederen van de nalatenschap naar de langstlevende echtgenoot gaan en de kinderen een vordering op de langstlevende krijgen, die pas opeisbaar is na het overlijden van de langstlevende.

In deze zaak gaat het om de nalatenschappen van J en K. J en K zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd geweest, tot het overlijden van J op 21 april 1976. Uit het huwelijk zijn zes kinderen geboren: eiseres en gedaagden.

K is nadien gehuwd geweest, tot aan zijn overlijden op 26 juli 1996.

Bij testament van 9 juli 1955 heeft J over haar nalatenschap beschikt, in die zin dat K tot erfgenaam werd benoemd voor het wettelijke toegestane gedeelte en dat verder aan hem de roerende en onroerende zaken werden gelegateerd, tegen inbreng van de waarde daarvan.

Op grond van het testament kwam aan ieder van de kinderen alleen hun wettelijk erfdeel toe, ook wel het zogenaamde kindsdeel genoemd, op grond van artikel 961 lid 3 (oud) BW.

Bij testament van 11 juli 1996 heeft K over zijn nalatenschap beschikt. Daarbij heeft hij zijn kinderen tot zijn erfgenamen benoemd, ieder voor gelijke delen. Tevens heeft hij op de voet van artikel 1167 (oud) BW een zogenoemde ouderlijke boedelverdeling opgemaakt, waarbij aan zijn tweede echtgenote alle goederen van zijn nalatenschap zijn toegedeeld en aan de kinderen een vordering op haar wegens overbedeling, welke vordering eerst opeisbaar is bij haar overlijden. Bij het testament is zijn tweede echtgenote tot executeur benoemd.

Het voorgaande leidt thans tot de volgende beslissingen. Met betrekking tot de nalatenschap van J.

Eiseres heeft een opeisbare vordering uit de nalatenschap van J ter hoogte van haar aandeel van f. 23.000,- (€ 10.436,95) aanvankelijk op K, thans op zijn nalatenschap. In haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van K dient gedaagde dit bedrag aan eiseres te betalen. Daarom is de vordering tot betaling van het bedrag van € 10.436,95 en de daarover gevorderde rente toewijsbaar.

Met betrekking tot de nalatenschap van K.

Vooropgesteld wordt dat het hierbij gaat om een zogenoemde ouderlijke boedelverdeling. De ouderlijke boedelverdeling betekent voor de erfgenamen een verdeling, door de erflater tot stand gebracht.

Door deze verdeling zijn alle tot de nalatenschap behorende goederen toegevallen aan gedaagde. Aan de overige erfgenamen, de nog in leven zijnde kinderen en gedaagde b door plaatsvervulling van zijn vader, is een vordering op gedaagde wegens overbedeling toegedeeld. Deze vorderingen zijn eerst bij het overlijden van gedaagde opeisbaar.

Aldus is een vordering tot verdeling niet aan de orde, aangezien verdeling reeds heeft plaatsgevonden.

De berekening van de niet-opeisbare vordering uit de ouderlijke boedelverdeling

Om de hoogte van de weliswaar thans nog niet opeisbare vorderingen op gedaagde wegens overbedeling te berekenen, dient de omvang van de nalatenschap te worden vastgesteld. Ten behoeve daarvan zal een boedelbeschrijving moeten worden opgemaakt.

Het is de taak van de executeur daarvoor zorg te dragen (artikel 4:146 BW). Ten aanzien van haar zal dan ook de vordering van de advocaat worden toegewezen om een boedelbeschrijving op te maken, dit ten overstaan van de door eiseres voorgestelde boedelnotaris, tegen wie als persoon gedaagden geen bezwaar hebben aangevoerd. Wel hebben gedaagden voorgesteld bij de eerder in deze nalatenschap betrokken notaris te blijven. Gezien echter de tussen partijen gerezen geschillen, acht de rechtbank dat niet raadzaam.

Bij het opstellen van de boedelbeschrijving zal de overweging in het tussenvonnis van 9 april 2003 in aanmerking moeten worden genomen, dat gedaagden 1 t/m 4 een bedrag van f. 97.000,- (€ 44.016,69) dienen in te brengen en gedaagde 5 een bedrag van f. 27.000,- (€ 12.252,07), als de bedragen die zijn geleend en nog niet zijn terugbetaald.

Recht op informatie voor het vaststelling van het erfdeel

Op grond van artikel 4:16 lid 4 BW hebben bij een wettelijke verdeling de echtgenoot en ieder kind jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers, die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven. De daartoe strekkende inlichtingen worden door hen des verzocht verstrekt.

Aangezien de thans onder het nieuwe recht geldende wettelijke verdeling gebaseerd is op de onder het oude recht geldende ouderlijke boedelverdeling, is de rechtbank van oordeel dat voor de nog onder het oude recht tot stand gekomen ouderlijke boedelverdeling in redelijkheid ook de regeling van artikel 4:16 lid 4 BW heeft te gelden. Dat leidt ertoe dat de vordering toewijsbaar is. Weliswaar is gedaagde b geen kind als bedoeld in artikel 4:16 lid 4 BW, maar van hen kan op grond van de redelijkheid en billijkheid hetzelfde worden verlangd.

Heeft u vragen over het kindsdeel in een erfenis, de vaststelling en de berekening van het kindsdeel of over een ouderlijke boedelverdeling, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan ook onze pagina verdeling erfenis. Klik dan hier.