Van onze advocaat kindsdeel. De Rechtbank Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de uitleg van een testament en de vraag of bij de ouderlijke boedelverdeling sprake was van een erfdeel bij versterf of van een legitieme portie.

De vorderingen worden gelet op de onderlinge samenhang hierna gezamenlijk behandeld. Beide vorderingen hebben betrekking op de hoogte van de vordering van eiser uit hoofde van de nalatenschap van erflater.

Die vordering is blijkens het testament van erflater en de daarin opgenomen zogeheten ouderlijke boedelverdeling opeisbaar geworden bij het overlijden van erflaatster. Eiser maakt aanspraak op een hoger bedrag dan reeds aan hem is uitgekeerd en gedaagden stellen dat aan eiser teveel is uitbetaald, zodat zij een deel van het betaalde in deze procedure terugvorderen.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de vordering van eiser 3/32e deel of 1/8e deel van de nalatenschap van erflater bedraagt en de aan eiser te vergoeden rente. Deze geschilpunten zullen hierna achtereenvolgens worden besproken.

Naar het oordeel van de rechtbank dient het testament van erflater aldus te worden uitgelegd dat het aandeel van eiser gelijk is aan zijn erfdeel bij versterf. Het aandeel is niet beperkt tot de legitieme portie. Dit zal hierna worden toegelicht. De rechtbank wenst echter voorop te stellen dat het standpunt van gedaagden dat het aandeel van eiser uit hoofde van het testament van erflater gelijk te stellen is aan de hoogte van de legitieme portie, alleszins begrijpelijk is. Zoals ook hierna zal blijken, zijn de bewoordingen van het testament niet eenduidig. Bovendien is in de adviezen van verschillende notarissen ervan uitgegaan dat het aandeel dient te worden berekend aan de hand van de legitieme portie. Na het overlijden van eiser zijn door de betrokken notarissen geen vraagtekens gesteld bij de bedoeling van erflater en is er ook niet op gewezen dat het testament tot een nadere uitleg noopte voor wat betreft het aandeel van eiser en de andere kinderen uit het eerste huwelijk van erflater. Dat gedaagden bij de berekening van het aandeel van eiser zijn uitgegaan van de legitieme portie was in dit licht bezien, en ook al is het aandeel van eiser in feite hoger, op dat moment in alle redelijkheid te rechtvaardigen.

Uitleg van een testament : legitieme of kindsdeel?

Ten aanzien van de uitleg van de uiterste wilsbeschikking van erflater wordt het volgende overwogen. Op 1 januari 2003 is het huidige erfrecht in werking getreden. Erflater is ná 1 januari 2003 overleden, maar het testament is opgesteld ten tijde van het oude erfrecht.

Ingevolge artikel 4:46 BW, welk artikel krachtens artikel 68a Overgangswet onmiddellijke werking heeft, dient bij de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Tot die omstandigheden behoort ook het recht dat gold toen de uiterste wil werd gemaakt. Bij de terminologie die erflater heeft gebruikt, is in beginsel het oude recht bepalend. Bij het vaststellen van hetgeen het testament inhoudt gaat het steeds om uitleg en geldt niet als maatstaf de ‘grammaticale methode’ waarbij uitsluitend wordt nagegaan of de in het testament opgenomen bewoordingen op zichzelf genomen naar de taalkundige betekenis van de woorden een duidelijke zin hebben (Hoge Raad 3 december 2004, HR:2004:AR0196).

Erflater heeft op de voet van artikel 1167 oud BW (OBW) een ouderlijke boedelverdeling gemaakt, welke boedelverdeling onder het nieuwe recht wordt gerespecteerd (artikelen 68a, 70 en 127 Overgangswet). Onder het oude erfrecht werd onder wettelijk erfdeel verstaan de legitieme portie. Onder ‘Ten derde’ van het testament staat dat aan de afstammelingen het wettelijk erfdeel toekomt en dat erflaatster tot enige en algehele erfgenaam wordt benoemd. Daarnaast wordt in lid 4 onder ‘Ten vierde’ in het testament gesproken over legitimarissen. Dit zou erop kunnen duiden dat aan de afstammelingen (slechts) een vordering ter hoogte van de legitieme portie is toebedeeld.

Daarentegen worden in het testament de afstammelingen onder ‘Ten vierde’ ook genoemd ‘mededeelgenoten’ en ‘mede-erfgenamen’ Dit zou erop kunnen duiden dat aan de afstammelingen een vordering ter hoogte van het erfdeel bij versterf is toebedeeld, het zogenaamde kindsdeel. Het testament is daarmee niet eenduidig. Er zijn geen aanwijzingen dat erflater de intentie heeft gehad om aan de kinderen uit zijn eerste huwelijk een lager aandeel na te laten dan aan de kinderen uit zijn tweede huwelijk (die als erfgenamen van erflaatster uiteindelijk een hoger aandeel zouden hebben. Deze opvatting wordt door alle partijen, ook door gedaagden, gedeeld. Steun voor deze opvatting is in het testament te vinden waar erflater bepaalt dat aan de afstammelingen het wettelijk erfdeel toekomt. Anders dan gebruikelijk zijn de afstammelingen niet in de legitieme gesteld dan wel is in het testament vastgesteld dat het erfdeel daartoe is beperkt. Conclusie van het voorgaande is dan ook dat de hoogte van het aandeel van eiser in de nalatenschap van erflater dient te worden bepaald gelijk aan het erfdeel bij versterf (1/8e deel van de nalatenschap).

Vergoeding van rente

In het vierde lid onder ‘Ten vierde’ van het testament staat dat de aan de legitimarissen (gelezen moet worden: de mede-erfgenamen) toegedeelde vorderingen vanaf de dag van het overlijden van erflater een rente van zes procent dragen.

Deze rente is, zo blijkt uit het zesde lid onder ‘Ten vierde’, opeisbaar na het overlijden van erflaatster. Tussen partijen staat vast dat de vordering van eiser vanaf de dag van het overlijden van erflater rentedragend is geworden. Partijen verschillen van mening over het moment waarop geen rente meer is verschuldigd, te weten het moment van overlijden van erflaatster dan wel het moment van volledige betaling van het aandeel aan eiser.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewoordingen van het testament dat de renteverplichting eerst eindigt bij het voldoen van de vordering. Het zesde lid van ‘Ten vierde’ bepaalt dat de rente pas opeisbaar is geworden na het overlijden van erflaatster, echter niet dat de verplichting tot het betalen van rente dan eindigt. Daarom moet worden aangenomen dat, nu op dat punt geen andersluidende regeling in het testament is opgenomen, de vordering van eiser, voor zover niet reeds voldaan, dient te worden vermeerderd met een rente van 6% tot de dag van algehele voldoening.

Heeft u vragen over de verdeling van een erfenis, het testament, het kindsdeel, de ouderlijke boedelverdeling of over de vergoeding van rente, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis? Bezoek dan ook onze pagina verdeling van een erfenis. Klik dan hier.