Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 8 januari 2019 uitspraak gedaan over de vraag of een erfgenaam ten onrechte bedragen had onttrokken aan het vermogen van de erflater. Verplichting tot het doen van rekening en verantwoording?

In 2008 is overleden vader, gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, zijnde partijen.

Bij testament van 12 februari 1980 heeft vader een ouderlijke boedelverdeling als bedoeld in artikel 4:1167 (oud) BW gemaakt, waarbij hij alle tot zijn nalatenschap behorende goederen heeft toebedeeld aan moeder, onder de last om alle tot zijn nalatenschap behorende schulden en kosten voor haar rekening te nemen en aan de kinderen schuldig te blijven een bedrag dat overeenkomt met de waarde van de erfdelen bij versterf.

Na het overlijden van vader zijn de bankrekeningen op naam van moeder gesteld.

In 2013 is moeder overleden. Zij heeft laatstelijk bij testament van 30 september 2009 over haar nalatenschap beschikt. Partijen zijn de enige erfgenamen van moeder, ieder voor de helft. Geïntimeerde is tot executeur benoemd.

Partijen hebben de nalatenschap van moeder beneficiair aanvaard. Er is geen ‘ruimschoots voldoende-verklaring’ afgegeven. De vereffening van de nalatenschap van moeder heeft nog niet plaatsgevonden. De verhoudingen tussen partijen zijn verstoord geraakt.

Appellant heeft aan zijn vordering, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Geïntimeerde heeft onrechtmatig jegens hem als mede-erfgenaam van moeder gehandeld door zich na het overlijden van vader gelden toe te eigenen, die stonden op bankrekeningen op naam van vader en later, na het overlijden van vader, op naam van moeder. Geïntimeerde is daarom gehouden deze gelden in te brengen in de nalatenschap van moeder dan wel over de geldopnames rekening en verantwoording aan hem af te leggen, aldus de advocaat van appellant.

Heeft erfgenaam ten onrechte bedragen onttrokken aan het vermogen van erflater? Verplichting tot het doen van rekening en verantwoording?

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Geïntimeerde heeft met betrekking tot de rekeningen erkend dat voornoemde transacties hebben plaatsgevonden, maar zij heeft betwist dat zij zelf de betreffende bedragen heeft opgenomen.

Geïntimeerde heeft na het overlijden van vader een briefje aan de bank geschreven om te regelen dat appellant en zij alleen gezamenlijk geld van de bankrekeningen konden halen, maar zij heeft hier nooit gebruik van gemaakt. Volgens haar zijn alle opnames gedaan door moeder.

Geïntimeerde heeft verder aangevoerd dat zij op 24 oktober 2008, samen met moeder en appellant, bij de bank is geweest. Moeder heeft toen € 50.000,- opgenomen, waarvan geïntimeerde € 27.500,- heeft gekregen en appellant, door verrekening van een openstaande lening, € 22.500,- heeft ontvangen.

Geïntimeerde heeft verder ook wel eens voor vervoer gezorgd als moeder naar de bank in België wilde, maar zij weet niet wat moeder daar heeft gedaan. Volgens geïntimeerde heeft moeder het geld van de Belgische bankrekeningen voor het overige zelf opgemaakt. Zij kan niet aantonen waar moeder haar geld aan heeft besteed, omdat moeder in staat was om zelfstandig te handelen en dat ook deed. Moeder heeft voor zover zij kon leuk geleefd, ging regelmatig uit eten en op vakantie, al dan niet met haar, aldus geïntimeerde.

Geïntimeerde heeft met betrekking tot de betaalrekening bij de bank erkend dat zij gelden van deze rekening heeft opgenomen, volgens haar gaat het om een bedrag van € 16.250,-.

Geïntimeerde heeft betwist dat zij een machtiging had om over deze betaalrekening te beschikken. Zij had wel een pinpas en het andere pasje had moeder zelf. Moeder vond het makkelijk dat geïntimeerde geld voor haar pinde en als moeder dat vroeg, dan deed zij dat. Moeder was op de hoogte van de opnames die door geïntimeerde, op verzoek van moeder, werden gedaan omdat zij overzicht had over haar financiën. De bank verzond alle bankafschriften naar moeder, zodat moeder deze kon controleren.

Geïntimeerde heeft de hele administratie (van december 2009 tot en met januari 2014) reeds op 24 januari 2014 aan appellant verschaft. Hieruit blijkt dat nagenoeg alleen de vaste lasten van moeder werden afgeschreven, zoals de huur, water, KPN, zorgverzekering en Ziggo. De dagelijkse uitgaven, bijvoorbeeld voor boodschappen, kleding en ontspanning, werden contant betaald. Zo is in 2010 slechts drie keer gepind (A-markt, C1000 en Blokker) en uitgaande van het feit dat moeder zelfstandig woonde, moet het overige contant zijn betaald, aldus geïntimeerde.

In het hiertegenover door appellant gestelde ziet het hof geen, althans onvoldoende aanwijzingen dat geïntimeerde geld zou hebben opgenomen bij de bank en de door hem gestelde bedragen wederrechtelijk aan het vermogen van moeder zou hebben onttrokken.

Appellant heeft naar voren gebracht dat hij vanaf 13 december 2008 tot enige dagen voor het overlijden van moeder geen contact met haar heeft gehad. Hij kan daarom niet beoordelen of moeder zicht had op haar financiën en of zij in staat was om haar wil te bepalen.

Het voorgaande wordt niet anders als daarbij de stelling van appellant wordt betrokken dat moeder, kort na het overlijden van vader, tegen hem en zijn echtgenote heeft verteld dat zij het geld van de Belgische rekeningen zou afhalen en ter bewaring in de kluis van geïntimeerde zou laten leggen.

Al zou dit zo zijn geweest dan nog volgt hieruit niet dat moeder de gelden op enig moment daadwerkelijk in de kluis van geïntimeerde heeft laten bewaren. Geïntimeerde heeft dit ook weersproken. Zij weet niet of het juist is of moeder een dergelijk voornemen heeft geuit richting appellant, maar wel dat er nooit geld van moeder in haar kluis heeft gelegen.

Appellant heeft tijdens het pleidooi in hoger beroep nog gesteld dat moeder op zaterdagochtend voor haar overlijden in haar ziekbed heeft gezegd “Ik had het zo niet moeten doen”. Volgens appellant heeft moeder hiermee bedoeld dat ze het geld van de Belgische bankrekeningen niet bij geïntimeerde in de kluis had moeten laten stoppen.

Het hof acht deze nieuwe stelling, gelet op het stadium van de procedure, tardief. Gesteld noch gebleken is dat er reden is voor het maken van een uitzondering op de twee-conclusieregel. Ook is er sprake van strijd met de eisen van goede procesorde. Aan deze nieuwe stelling gaat het hof daarom voorbij.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat appellant onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat geïntimeerde onrechtmatig heeft gehandeld. Bewijslevering is niet aan de orde.

Hieruit volgt dat de grief faalt.

De volgende grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat geïntimeerde niet gehouden kan worden tot het doen van rekening en verantwoording over voornoemde geldopnames.

Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden.

Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht. Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming.

Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen (HR 9 mei 2014 HR:2014:1089).

In het onderhavige geval is niet komen vast te staan dat geïntimeerde geld zou hebben opgenomen bij de bank of deze bedragen wederrechtelijk aan het vermogen van moeder zou hebben onttrokken. Dat betekent dat in zoverre geen rechtsverhouding bestaat op grond waarvan een verantwoordingsplicht dient te worden aangenomen.

Geïntimeerde beschikte over een pinpas van de betaalrekening van de bank. Het was haar kennelijk toegestaan om in opdracht van moeder geld voor haar te pinnen. Vast staat dat geïntimeerde ook daadwerkelijk geld van deze betaalrekening heeft opgenomen.

Appellant heeft niet gesteld dat moeder tijdens haar leven wilsonbekwaam was, onder bewind stond of op een andere manier beperkt was om haar financiën te voeren. Gesteld noch gebleken is dat moeder op enig moment om rekening en verantwoording heeft gevraagd met betrekking tot voornoemde geldopnames.

Uit het voorgaande volgt dat er vanuit moet worden gegaan dat moeder steeds in staat was om de handelingen van geïntimeerde te overzien en zij haar handelingen heeft goedgekeurd. Van het voeren van beheer als bedoeld in de wet door geïntimeerde van de financiën van moeder is dan ook geen sprake.

Appellant heeft dit, gelet op het verweer van geïntimeerde, onvoldoende onderbouwd. De familierechtelijke relatie tussen moeder en geïntimeerde bracht kennelijk mee dat geen afzonderlijke boekhouding over de door geïntimeerde van de betaalrekening bij de bank opgenomen gelden werd gevoerd, maar dat in vertrouwen werd gehandeld.

Onder deze omstandigheid bestaat er naar het oordeel van het hof voor geïntimeerde geen verplichting tot het doen van rekening en verantwoording over deze bedragen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over een ouderlijke boedelverdeling, over de uitleg van een testament, over het kindsdeel of over de legitieme, over het onttrekken van gelden of goederen uit de nalatenschap, over de taken en bevoegdheden van de executeur of over het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.