Van onze advocaat kindsdeel. De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 6 juni 2018 uitspraak gedaan over een ouderlijke boedelverdeling (artikel 1167 BW oud) tussen drie kinderen.  Overgangsrecht. Boedelbeschrijving.

De vader heeft op 6 november 1997 een testament gemaakt. Daarin heeft hij alle eerdere testamenten herroepen.

Hij heeft de moeder en zijn drie kinderen tot erfgenaam benoemd: twee kinderen voor hun legitieme portie, de moeder en het andere kind samen voor de rest. Voor het geval de moeder eerder zou overlijden heeft hij twee kinderen tot erfgenaam benoemd voor hun legitieme portie en het andere kind voor de rest.

De moeder heeft op dezelfde datum eveneens een testament gemaakt, met een vergelijkbare inhoud.

Ouderlijke boedelverdeling. Overgangsrecht. Boedelbeschrijving.

De rechter oordeelt als volgt.

Beide zaken gaan over de afwikkeling van de nalatenschap van de ouders.

Daarbij spelen vragen van overgangsrecht. De testamenten zijn gemaakt en beide ouders zijn overleden voor inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht op 1 januari 2003.

Op grond van artikel 68a van de Overgangswet (Ow) is het uitgangspunt dat vanaf die datum nieuw recht van toepassing is, maar dat kan niet betekenen dat iemand een vermogensrecht verliest dat hij daarvoor verkregen had, of dat het bedrag van een vordering verandert (artikel 69 Ow).

In zoverre blijft het oude recht van kracht. Daarnaast zijn er enkele specifieke regels. In heel grote lijnen komt het erop neer dat op de omvang van de rechten van partijen oud recht van toepassing is, maar op de procedures nieuw recht.

In de testamenten van beide ouders is een boedelverdeling gemaakt, waarbij alle goederen aan de echtgenoot zijn toegedeeld en een vordering aan de overige kinderen.

Voor het geval de andere echtgenoot eerder zou zijn overleden, hebben beide ouders alle goederen aan het eerste kind toegedeeld en aan de twee andere kinderen een vordering op het eerste kind, die zou moeten uitbetalen binnen acht maanden na overlijden van de langstlevende ouder. Dit is een ‘ouderlijke boedelverdeling’ gebaseerd op artikel 1167 van het oude Burgerlijk Wetboek (OBW):

De bloedverwanten in de opgaande linie mogen bij uiterste wilsbeschikking, of bij notariële akte, tusschen hunne afkomelingen onderling of tusschen dezen en hun langstlevenden echtgenoot de verdeeling hunner goederen maken. Op deze verdeling is artikel 186 lid 1 van Boek 3 niet van toepassing.

Deze verdeling is niet afgewikkeld. De vordering van de twee kinderen moet nog worden vastgesteld en uitbetaald.

Artikel 4:15 lid 1 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (NBW) geeft de volgende regeling:

Voor zover de erfgenamen over de vaststelling van de omvang van de in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering niet tot overeenstemming kunnen komen, wordt deze op verzoek van de meest gerede partij door de kantonrechter vastgesteld. De artikelen 677 tot en met 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

Het gaat hier om de in boek 4 NBW geregelde wettelijke verdeling wanneer een erflater een echtgenoot en een of meer kinderen nalaat. Die regeling is echter gebaseerd op de ouderlijke boedelverdeling op basis van artikel 1167 OBW, die in de praktijk gebruikelijk was. Daarom is de regeling op deze ouderlijke boedelverdeling van overeenkomstige toepassing.

Dit geldt ook voor 4:16 NBW:

  1. De echtgenoot en ieder kind kunnen verlangen dat een boedelbeschrijving wordt opgemaakt. De boedelbeschrijving bevat een waardering van de goederen en de schulden van de nalatenschap.

(…)

4 De echtgenoot en ieder kind hebben jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers, die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven. De daartoe strekkende inlichtingen worden door hen des verzocht verstrekt. Zij zijn jegens elkaar gehouden tot medewerking aan de verstrekking van inlichtingen door derden.

Een groot deel van het geschil draait om het ontbreken van een boedelbeschrijving, en om de vraag of het eerste kind verplicht was die op te stellen.

Die vraag wordt beantwoord door deze bepaling. De twee kinderen konden inderdaad een boedelbeschrijving verlangen, maar het is niet juist dat dit alleen een verantwoordelijkheid van het eerste kind zou zijn. Zij moeten daar alle drie aan meewerken.

Het is wel zo dat van het eerste kind verwacht mocht worden dat zij het voortouw zou nemen, omdat alle goederen – waaronder de beschikbare administratie – aan haar zijn toegedeeld. Zij mag zich van die verantwoordelijkheid niet afmaken met de stelling dat zij zich niet alles meer herinnert. Dat is voor haar risico. Op grond van de testamenten was zij verplicht om de twee andere kinderen binnen acht maanden na het overlijden van de moeder uit te betalen (zelfs met rente vanaf de datum van overlijden). Als zij dat gedaan had, was er niets aan de hand geweest.

Haar informatieplicht is ook niet beperkt tot de gegevens waarover zij beschikt, maar strekt zich zeker ook uit tot gegevens die zij redelijkerwijs kan achterhalen. Omdat zij zoveel tijd heeft laten verlopen, mag daarbij ook behoorlijk wat inspanning van haar verwacht worden.

Partijen zullen dus samen de boedelbeschrijvingen moeten opmaken. De rechtbank stelt voor dat zij dit onderling aanpakken. Wanneer dat niet lukt, kan ieder van hen de kantonrechter benaderen, volgens de regeling van de artikelen 672-675 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In dat geval zal de officiële route langs een notaris gevolgd moeten worden, met alle kosten van dien.

Een ander belangrijk verschil van mening gaat over de vraag of het eerste kind verantwoording schuldig is over financiële transacties in het verleden. Het eerste kind vindt van niet, maar dat is maar gedeeltelijk juist.

Voor transacties waarbij de ouders zelf actief betrokken waren, hoeft niemand verantwoording af te leggen, behalve voor zover die bij de afwikkeling van de nalatenschappen moeten worden ingebracht. Ook de volmacht schept geen verantwoordingsplicht. Een volmacht geeft de gevolmachtigde bevoegdheid om de rechthebbende tegenover derden te vertegenwoordigen, zodat door het handelen van de gevolmachtigde tussen de rechthebbende en de derde rechten en plichten kunnen ontstaan waaraan zij tegenover elkaar gebonden zijn. Een volmacht geeft de gevolmachtigde echter niet tegenover de rechthebbende het recht om over diens eigendom te beschikken.

Het komt bijvoorbeeld vaak voor dat oudere mensen aan een zoon of dochter een algemene volmacht geven, terwijl die alleen bedoeld is voor gebruik in noodsituaties. Wanneer de zoon of dochter dan buiten een noodsituatie gebruik maakt van de volmacht, handelt hij of zij als bevoegd vertegenwoordiger, maar tegenover de ouder onrechtmatig.

Het recht om van de volmacht gebruik te maken krijgt men op een andere manier, gewoonlijk door een opdracht (in welke vorm dan ook). En een opdracht schept wel een verantwoordingsplicht (artikel 7:403 NBW). De opdrachtnemer moet de opdrachtgever op de hoogte houden van zijn werkzaamheden en daarvan verantwoording afleggen.

Voor zover het eerste kind in opdracht van haar ouders gehandeld heeft, had zij tegenover hen een verantwoordingsplicht, ongeacht het bestaan van een volmacht en ongeacht de vraag of de opdracht expliciet of impliciet gegeven is. Dat recht op verantwoording is overgegaan van de ouders op de kinderen als (mede-)erfgenamen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over de ouderlijke boedelverdeling en het overgangsrecht, over de informatieplicht van erfgenamen of het afleggen van rekening en verantwoording op grond van een rechtsverhouding of een volmacht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.