Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over een ouderlijke boedelverdeling, over de verjaring van de vordering uit onderbedeling en over de stuiting van de verjaring.

Bij testament van 12 februari 1973 heeft moeder (laatstelijk) over haar nalatenschap beschikt. Dit testament hield een ouderlijke boedelverdeling (hierna te noemen: OBV) in ex artikel 1167 BW oud.

Ouderlijke boedelverdeling. Verjaring van de vordering uit overbedeling? Stuiting van de verjaring?

De rechter oordeelt als volgt.

De vordering uit onderbedeling, ontstaan uit de OBV, in de nalatenschap van moeder was opeisbaar op het moment van overlijden van vader, dit volgt uit het testament van 1973 van moeder.

Het standpunt van appellant dat de verjaringstermijn eerst aanvangt na overlijden van stiefmoeder in 2015, gaat zo blijkt uit het hierna volgende, niet op.

Aan voornoemd standpunt heeft appellant de brief van 7 februari 1993 ten grondslag gelegd.

Volgens appellant volgt uit die brief dat hij de onderbedelingsvordering niet zal opeisen na overlijden van vader.

Een vordering uit onderbedeling van appellant in de nalatenschap van moeder op de nalatenschap van vader is naar het oordeel van het hof in die brief niet genoemd.

In de akte Boedelbeschrijving/verdeling/afgifte legaat van 13 april 1995, waarin de omvang van de nalatenschap van vader is vastgelegd en waarbij de schulden in de nalatenschap van vader zijn opgenomen, is evenmin een vordering uit onderbedeling in de nalatenschap van moeder op de nalatenschap van vader opgenomen.

Appellant betoogt evenwel dat stiefmoeder en de notaris hebben willen benadrukken dat hij zijn vordering uit onderbedeling niet zou opeisen, daar zij aan hem op 13 april 1995 een verklaring van stiefmoeder van 13 april 1995 met daaraan gehecht voornoemde brief van 7 februari 1993 hebben verstrekt.

De brief van 7 februari 1993 verwijst, zo betoogt de advocaat van appellant, naar het testament van stiefmoeder uit 1982, zodat stiefmoeder en de notaris de verwachting hebben gewekt dat dit nog van kracht zou zijn en, naar het hof begrijpt, appellant erfgenaam van stiefmoeder was.

Dit betoog gaat evenwel niet op.

De verklaring van 13 april 1995 verwijst niet naar de brief van 7 februari 1993 maar naar de akte van boedelbeschrijving en verdeling van 13 april 1995 en naar een codicil van 1 maart 1993, welk codicil de daarin genoemde roerende zaken voor de dochter van appellant betreft.

Stiefmoeder verklaart zich tegenover de dochter van appellant verplicht tot naleving van dat codicil. Uit de aanhechting van de brief van 7 februari 1993, waarin eveneens melding wordt gemaakt van voor dochter van appellant bestemde roerende zaken, had appellant moeten begrijpen dat het stiefmoeder er (slechts) om ging dat zij rekening zou houden met de wens van vader dat die zaken voor de dochter van appellant zouden zijn.

Uit de redactie van de verklaring van stiefmoeder, gelezen in samenhang met zowel het codicil als de brief van 7 februari 1993, kan daaruit niet worden afgeleid dat stiefmoeder met die verklaring ook bedoelde dat het testament van 1982 nog van kracht zou zijn.

Gezien het voorgaande heeft appellant onvoldoende onderbouwd dat stiefmoeder en de notaris bij hem de verwachting hebben gewekt dat het testament van stiefmoeder uit 1982 nog van kracht zou zijn en dat zij hebben willen benadrukken dat hij zijn vordering uit onderbedeling niet zou opeisen vóór het overlijden van stiefmoeder.

Evenmin heeft appellant voldoende onderbouwd dat stiefmoeder bewust een vordering uit onderbedeling van appellant onvermeld heeft gelaten in de akte van ‘Boedelbeschrijving/verdeling/afgifte legaat’ van 13 april 1995 en dat daarom van een langere verjaringstermijn als bedoeld in artikel 3:321 lid 1 onder f BW dient te worden uitgegaan, dan wel dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

De schulden van de nalatenschap zijn in de akte ‘Boedelbeschrijving/verdeling/afgifte legaat’ geïnventariseerd, de deelgenoten (waaronder appellant) hebben de verdeling te zijnen/haren bate of schade aanvaard, terwijl appellant niet voldoende heeft onderbouwd dat hij er daarbij op mocht vertrouwen dat het testament van stiefmoeder uit 1982 nog van kracht zou zijn.

Aan het voorgaande doet niet af dat de akte door een andere notaris is opgemaakt dan de notaris die, voor het overlijden van vader de huisnotaris van vader was.

Bij het voorgaande komt dat stiefmoeder, hoewel zij daartoe niet verplicht was, effecten uit de nalatenschap van vader heeft geleverd aan [appellant] .

Ten aanzien van het betoog van appellant dat de verjaring van zijn vordering uit onderbedeling is gestuit overweegt het hof als volgt.

Eerst bij pleidooi heeft appellant een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat vaststaat dat de verjaringstermijn niet tijdig is gestuit.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de verjaring in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.