De Rechtbank Noord-Nederland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of een vordering op grond van het kindsdeel was verjaard.

Eiseres heeft na het overlijden van haar moeder een vordering van € 23.611,31 op erflater verkregen op grond van een bij testament in het leven geroepen ouderlijke boedelverdeling (hierna te noemen: het kindsdeel).

In dat testament is, voor zover van belang, bepaald dat het kindsdeel opeisbaar is bij het overlijden van erflater of indien hij zou gaan samenwonen.

Kindsdeel. Verjaring van vordering uit ouderlijke boedelverdeling? Voorwaarde voor opeisbaarheid van de vordering. Stuiting verjaring?

De rechter oordeelt als volgt.

De rechter is van oordeel dat het verjaringsberoep slaagt.

Hiertoe is het volgende redengevend.

Op grond van artikel 3:306 BW verjaart een vordering als de onderhavige door verloop van twintig jaren, nu de wet ten aanzien hiervan niet anders bepaalt.

Deze verjaringstermijn is op grond van artikel 3:313 BW gaan lopen vanaf het moment waarop de vordering opeisbaar is geworden.

Gelet op de in het testament opgenomen opeisingsgronden zal moeten worden uitgegaan van het moment dat erflater en gedaagde zijn gaan samenwonen.

Die uiterste wilsbeschikking acht de rechtbank niet in strijd met de openbare orde of de goede zeden.

Gedaagde heeft voldoende gesteld en aan de hand van de door haar overgelegde gegevens aangetoond dat de samenwoning op 21 januari 1994 is aangevangen.

Als aanvang van de verjaringstermijn heeft dan ook 21 januari 2014 te gelden.

Uit de vaststaande feiten blijkt dat eiseres het kindsdeel niet eerder dan bij brief van 4 november 2014 heeft opgeëist.

Op dat moment waren er meer dan twintig jaren verstreken, zodat de lopende verjaring toen al was voltooid.

Er doet zich naar het oordeel van de rechter geen verlengingsgrond voor.

Daartoe merkt de rechtbank op dat tussen partijen vaststaat dat er vanaf 1993 geen tot nauwelijks contact is geweest tussen erflater en eiseres.

Tegen deze achtergrond kan het enkele feit dat erflater eiseres niet heeft ingelicht over het samenwonen niet worden aangemerkt als een opzettelijke verzwijging als bedoeld in artikel 3:321 lid 1 onder f BW.

Ook is er naar het oordeel van de rechter geen sprake van stuiting.

Weliswaar kan uit de briefwisseling tussen gedaagde en de advocaat worden opgemaakt dat het kindsdeel uiteindelijk is erkend, maar dat heeft plaatsgevonden nadat de verjaring op 21 januari 2014 al voltooid was.

Anders dan eiseres betoogt, is er door deze enkele erkenning bovendien geen sprake van omzetting in een rechtens afdwingbare verbintenis.

Gesteld noch gebleken is namelijk dat er tussen partijen een daartoe strekkende overeenkomst, als bedoeld in artikel 6:5 lid 1 BW, is gesloten.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de verjaring in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.