De Rechtbank Limburg heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vernietiging van schenkingen op grond van misbruik van omstandigheden. Was erflaatster compos mentis?

Eisers roepen de vernietiging in van de schenkingen, en beroepen zich daarbij op misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 BW).

In het rapport van de medisch deskundige staat dat erflaatster een verhoogde kans heeft op het ontwikkelen van dementie.

Tijdens de behandeling op zitting hebben eisers verklaard dat erflaatster na de ziekenhuis opname in 2010 niet meer de oude is geworden, dat dit aanleiding was om een verzoek tot bewind en mentorschap aan te vragen en dat erflaatster ook daadwerkelijk is gaan dementeren.

De dementie is uiteindelijk ook de aanleiding geweest dat erflaatster in het verpleeghuis is opgenomen.

Gedaagde erkent dat de bedragen door erflaatster aan hem zijn geschonken, maar betwist dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Erflaatster was volgens hem ten tijde van deze schenkingen compos mentis.

De schenkingen zijn verder gebruikelijke schenkingen, aldus de advocaat van gedaagde.

Vernietiging van schenkingen op grond van misbruik van omstandigheden? Mantelzorg. Geestelijke toestand van erflater. Dementie. Opname in verpleeghuis. Bewijslast.

De rechter oordeelt als volgt.

Schenkingen zijn vernietigbaar wanneer komt vast te staan dat die schenkingen zijn gedaan onder misbruik van omstandigheden (artikel 7:176 BW).

De schenkingen die erflaatster heeft gedaan zijn op grond van artikel 3:44 BW vernietigbaar als vast komt te staan dat gedaagde wist of moest begrijpen dat erflaatster door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid bewogen werd tot het verrichten van de schenkingen en gedaagde het tot stand komen van de schenkingen heeft bevorderd, ofschoon hetgeen hij wist of moest begrijpen hem daarvan had moeten weerhouden.

Artikel 7:176 BW kent voor deze situatie een van artikel 150 Rv afwijkende bewijsregel.

In het geval de schenker – in dit geval eisers als rechtsopvolgers onder algemene titel van erflaatster – bij een beroep op vernietigbaarheid feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, rust op de begiftigde – in dit geval gedaagde – de bewijslast (en daarmee ook het bewijsrisico) van het tegendeel, tenzij van de schenking een notariële akte is opgemaakt of deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn.

Eisers hebben voldoende feiten gesteld, en daarmee voldaan aan de op de op hen rustende stelplicht, waaruit – als van de juistheid daarvan wordt uitgegaan – volgt dat de schenkingen door misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen en dus vernietigbaar zijn.

Het betreft hier feiten omtrent de geestelijke toestand van erflaatster.

Erflaatster is gediagnostiseerd met een verhoogde kans op het ontwikkelen van dementie.

Deze ziekte heeft zich geopenbaard en was uiteindelijk de aanleiding voor opname van erflaatster in een verpleeghuis.

Van omstandigheden die nopen tot een andere bewijslast verdeling van de bewijslast dan is neergelegd in artikel 7:176 BW, is niet gebleken.

Dit brengt met zich dat op gedaagde de bewijslast van het tegendeel rust in die zin dat hij moet bewijzen dat de schenkingen niet door misbruik tot stand zijn gekomen.

Als gedaagde het bewijs dat de schenkingen niet door misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen, niet kan leveren, slaagt het beroep van eisers op de vernietiging en moet gedaagde de geschonken bedragen uit hoofde van onverschuldigde betaling aan de gemeenschap terug betalen.

Eiseres leggen aan hun vordering eveneens artikel 7:178 BW ten grondslag.

Volgens eisers dient dit artikel ruim te worden uitgelegd, en dienen ook mantelzorgers onder het in artikel 7:178 BW gebezigde begrip ‘beroepsbeoefenaar’ te worden geschaard.

Nu gedaagde zichzelf veelvuldig als mantelzorger van erflaatster heeft bestempeld, zijn de schenkingen van erflaatster aan gedaagde voorts vernietigbaar op grond van artikel 7:178 BW.

Gedaagde stelt dat, hoewel hij erflaatster dagelijks bijstond, hij niet kan worden aangemerkt als ‘beroepsbeoefenaar’ in de zin van artikel 7:178 BW.

De schenking is op grond van artikel 7:178 BW vernietigbaar indien zij gedurende een ziekte van de schenker wordt gedaan aan hen die hem gedurende deze ziekte bijstaan als een beroepsbeoefenaar op het gebed van de individuele gezondheidszorg als bedoeld in de Wet BIG (Kamerstukken II 2000/01, 17 213, nr. 6) of een geestelijk verzorger.

Nu gedaagde niet tot deze groep van beroepsbeoefenaar behoord, kan de vordering op grond van artikel 7:178 BW niet slagen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over schenkingen in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.