De Rechtbank Limburg heeft enige tijd geleden bij uitzondering een machtiging aan de vereffenaar verleend tot de verkoop van de tot de nalatenschap behorende onroerende zaak.

Bij uitzondering rechterlijke machtiging verleend aan de vereffenaar tot de verkoop van een onroerende zaak. Beneficiaire aanvaarding.

De rechter overweegt als volgt.

In artikel 4:193 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is het volgende bepaald:

“Een wettelijk vertegenwoordiger van een erfgenaam kan voor deze niet zuiver aanvaarden en behoeft voor verwerping een machtiging van de kantonrechter. Hij is verplicht een verklaring van beneficiaire aanvaarding of van verwerping af te leggen binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap (…) de erfgenaam toekomt.

Deze termijn kan overeenkomstig artikel 192 lid 2, tweede zin, worden verlengd.”

Het tweede lid van voornoemd artikel luidt:

“Heeft hij de termijn laten verlopen, dan geldt de nalatenschap als door de erfgenaam beneficiair aanvaard. (…).”

Vaststaat dat op het moment van verwerping (door hun ouders) op 22 december 2015 en 16 maart 2016 de nalatenschap van de erflater aan de minderjarige kinderen reeds toekwam.

Vanaf dat moment hadden de ouders, in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarigen, de plicht om binnen drie maanden een verklaring van beneficiaire aanvaarding of van verwerping af te leggen.

Nu gesteld noch gebleken is dat de wettelijke vertegenwoordigers voor en namens hun minderjarige kinderen verlenging van de termijn van drie maanden hebben gevraagd, betekent dit dat de wettelijke vertegenwoordigers deze termijn hebben laten verlopen en geldt voor hun minderjarige kinderen de nalatenschap als beneficiair aanvaard.

Ten aanzien van de meerderjarige kinderen en de erfgenaam die helemaal geen keuze heeft uitgebracht, volgt uit art. 4:192 lid 4 BW de nalatenschap ook als beneficiair aanvaard.

Beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap leidt er toe dat de erfgenamen, onder wie de wettelijke vertegenwoordigers voor en namens hun minderjarige kinderen, allen vereffenaars van de nalatenschap zijn en dat de nalatenschap overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:202 lid 1 BW dient te worden vereffend volgens de wet.

Aangezien echter verzoeker door de rechtbank tot vereffenaar van deze nalatenschap is benoemd, is verzoeker degene die de nalatenschap van de erflater dient te vereffenen.

Tot een van de taken van de vereffenaar behoort het te gelde maken van de tot de nalatenschap behorende onroerende zaak.

Verzoeker, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de onderwerpelijke nalatenschap, heeft bij beschikking van de kantonrechter van 30 september 2016 aanwijzing gekregen om de onroerende zaak te verkopen voor € 100.000,00 kosten koper.

Nadat de potentiele koper zich had teruggetrokken heeft zich meer dan een jaar later een nieuwe gegadigde bij verzoeker gemeld en een bod van € 70.000,00 uitgebracht.

De vereffenaar heeft desgevraagd de kantonrechter uitgelegd dat de oorzaak van het verschil in waarde tussen deze biedingen is gelegen in de slechte staat waarin de onroerende zaak zich bevindt.

Ter onderbouwing heeft verzoeker verwezen naar twee taxatierapporten van R Vastgoedadvies en het e-mailbericht van W Makelaars van 6 december 2017. Bij rapport van 11 april 2016 is de marktwaarde vrij van huur en gebruik geschat op € 80.000,00 kosten koper en bij rapport van 8 december 2017 op € 70.000,00 kosten koper.

De vereffenaar stelt dat de bij de activa in de (voorlopige) boedelbeschrijving opgevoerde waarde van de onroerende zaak van € 101.000,00 bijgesteld dient te worden naar een reëlere waarde van € 70.000,00 hetgeen de kantonrechter begrijpelijk en aanvaardbaar vindt.

Hoewel de vereffenaar de onroerende zaak zonder tussenkomst van de kantonrechter kan verkopen, acht de kantonrechter het gezien het voorgaande dienstig om de door verzoeker verzochte aanwijzing – om de onroerende zaak te verkopen voor € 70.000,00 kosten koper – in te willigen.

Ondanks het feit dat er geen achterstand is in de betaling van de rente en de aflossing van de hypotheek oefent de hypotheekhouder enige druk tot verkoop op de verzoeker uit.

Gezien het uitgebrachte bod van € 70.000,00 en het restant aan hypotheek van € 59.838,00 geeft de kantonrechter verzoeker aanwijzing om met de hypotheekhouder te onderhandelen over een boedelbijdrage en hem van die onderhandeling nader te berichten.

De vereffenaar heeft aangegeven dat er een aanslag van de Belastingdienst ter zake deze nalatenschap heeft plaatsgevonden waarbij de Belastingdienst is uitgegaan van een waarde van de onroerende zaak van € 101.000,00.

Met inachtneming van de belangen van de schuldeisers van deze nalatenschap en de uitleg als vermeld geeft de kantonrechter verzoeker aanwijzing om overleg met de Belastingdienst te voeren of, indien (nog) mogelijk, bezwaar tegen deze aanslag te maken.

Wat het besproken voorschot op het loon van de vereffenaar betreft wordt verzoeker in de gelegenheid gesteld om een urenspecificatie, ingericht overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.1 van de Recofa-richtlijnen, aan te leveren.

Teneinde de voortgang van deze vereffening voor alle belanghebbenden te bewaken wordt verzoeker in de gelegenheid gesteld om de kantonrechter binnen twee maanden of zoveel eerder door middel van een verslag te berichten.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de machtiging tot de verkoop van onroerend goed uit een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.