Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de ouderlijke boedelverdeling en over de vraag of de schuld uit overbedeling op de nalatenschap was verjaard.
Partijen zijn broer en zus. De ouders van partijen waren in gemeenschap van goederen gehuwd.
De vader van partijen (verder: de erflater) is overleden met achterlating van zijn echtgenote (de moeder van partijen, verder: de erflaatster), partijen zelf en wijlen hun broer.
Erflater heeft in zijn testament een ouderlijke boedelverdeling gemaakt op voet van artikel 4:1167 BW (oud).
In deze zaak gaat het om de vraag of appellant gehouden is ten laste van zijn eigen vermogen de schuld aan geïntimeerde inzake haar erfdeel in de nalatenschap van haar vader te betalen (verder ook: de vordering of de schuld).
Daarvoor is van belang of appellant de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard, of erflaatster de schuld al tijdens leven heeft voldaan, of de rechtsvordering tot voldoening van de schuld is verjaard en of – zoals appellant dat verwoordt – toewijzing van de vordering in strijd is met de beginselen van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:2 BW en 6:248 BW.
Ouderlijke boedelverdeling. Vordering verjaard? Zuivere aanvaarding. Redelijkheid en billijkheid.
Vordering verjaard?
De rechter oordeelt als volgt.
Met de eerste grief betoogt appellant dat de rechtsvordering van geïntimeerde tot voldoening van de schuld is verjaard.
Deze grief faalt. Anders dan appellant meent is de schuld wegens overbedeling van erflaatster aan geïntimeerde geen verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 3:307 BW, maar is deze schuld ontstaan door en ten gevolge van de verdeling die de erflater bij uiterste wilsbeschikking in zijn testament op voet van artikel 4:1167 BW (oud) heeft gemaakt tussen zijn echtgenote en zijn kinderen.
De schuld wegens overbedeling vindt aldus zijn grond in een eenzijdige rechtshandeling van de erflater en niet in een overeenkomst van de erfgenamen.
Dat deze ouderlijke boedelverdeling hetzelfde rechtsgevolg heeft als een door de erfgenamen zelf tot stand gebrachte verdeling, betekent nog niet dat die verdeling zijn grond vindt in een overeenkomst van de erfgenamen.
Nu de wet niet anders bepaalt, verjaart de rechtsvordering van geïntimeerde tot voldoening van de schuld door verloop van twintig jaren (artikel 3:306 BW) en is de termijn van verjaring begonnen met de aanvang van de dag volgend op die waarop de onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd (artikel 3:313 BW).
De termijn voor de verjaring is aldus begonnen op de dag na het overlijden van erflaatster, te weten 28 januari 2006 en is nog niet verlopen.
Steun voor dit oordeel is te vinden in de parlementaire geschiedenis ten aanzien van artikel 3:306 BW, waarin is te lezen dat de twintigjarige termijn van artikel 3:306 BW van toepassing is op bijvoorbeeld rechtsvorderingen tot levering van het toegedeelde na de verdeling van een gemeenschap (Parl. Gesch. Inv. P. 1409).
Zuivere aanvaarding?
De volgende grief bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat geïntimeerde zich kan beroepen op het gezag van gewijsde van het vonnis dat de rechtbank Amsterdam op 3 juni 2013 heeft gewezen tussen Loyens & Loeff N.V. en appellant en dat de rechtbank moet uitgaan van het oordeel in dat vonnis van 3 juni 2013 dat appellant de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard en dat de aard van dat oordeel meebrengt dat ook derden die bij de procedure geen partij waren, zoals geïntimeerde, zich daarop kunnen beroepen.
De grief slaagt. Ingevolge artikel 236 Rv geldt gezag van gewijsde slechts tussen partijen of hun rechtverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel. Geïntimeerde was geen partij of rechtverkrijgende van een partij in het geding dat heeft geleid tot het vonnis van 3 juni 2013.
Anders dan geïntimeerde meent is dit vonnis geen constitutief vonnis met derdenwerking, maar een zogeheten condemnatoir vonnis waarbij appellant is veroordeeld tot betaling van een geldbedrag aan Loyens & Loeff N.V.
Dat in dat vonnis is overwogen dat appellant de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard maakt dit vonnis niet tot een constitutief vonnis met werking jegens allen.
Hooguit zou aan de uitspraak van 3 juni 2013, waarin grotendeels dezelfde feitenconstellatie voorkomt, een vermoeden kunnen worden ontleend dat appellant de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard, maar dat is iets anders dan gezag van gewijsde en doet niet af aan de mogelijkheid van appellant in deze procedure verweer te voeren tegen de stelling dat hij de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard (HR 27 november 2009, HR:2009:BH2162, NJ 2014/201).
Doordat de grief slaagt dient het hof te beoordelen of appellant, zoals geïntimeerde stelt, de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard.
Geïntimeerde legt aan haar stelling dat appellant de nalatenschap van erflaatster zuiver heeft aanvaard (onder meer) ten grondslag dat hij op 30 januari 2006 (in de periode tussen het overlijden van erflaatster en het afleggen van de verklaring van beneficiaire aanvaarding) een bedrag van € 6.000,- heeft overgeboekt van de bankrekening van erflaatster naar zijn eigen bankrekening.
Deze overboeking staat vermeld op het rekeningafschrift van de bankrekening van erflaatster. De omschrijving bij deze overboeking luidt: “ ivm aflossing”. Appellant betwist niet dat deze overboeking is geschied, maar voert aan dat niet hijzelf maar de medebewindvoerder, zijn neef, deze overboeking heeft gedaan. Appellant verwijst naar een schriftelijke verklaring van 14 mei 2014 waarin staat: “Hierbij verklaar ik dat ik de Rabo rekening van mijn grootmoeder ten name van [ouder] vanaf 27-06-2006 heb beheerd. Alle betalingen na dato zijn door mij gedaan. Het bedrag van €6.000,- was bedoeld voor eerste betalingen van de begrafenis, notaris en eventuele andere schulden.(…)”
Het hof is van oordeel dat, ook als de lezing van appellant ten aanzien van deze overboeking wordt gevolgd en de zoon van geïntimeerde – anders dan in zijn verklaring staat – de overboeking op 30 januari 2006 heeft gedaan, appellant zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbend erfgenaam heeft gedragen in de zin van artikel 4:192 lid 1 BW, zoals die bepaling luidde in 2006.
Appellant heeft immers als erfgenaam gelden van de nalatenschap ontvangen en deze onder zich gehouden. Hij heeft daarmee als heer en meester over goederen van de nalatenschap beschikt en zich aldus gedragen als een zuiver aanvaard hebbend erfgenaam.
Toewijzing vordering in strijd met beginselen van redelijkheid en billijkheid?
Appellant stelt dat toewijzing van de vordering van geïntimeerde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat hij uit de nalatenschap van erflaatster niets heeft ontvangen en ook nog een bedrag aan geïntimeerde zou moeten betalen.
Het hof gaat aan die stelling voorbij. Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen moet ingevolge artikel 3:12 BW rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken.
Niet is door appellant gesteld of is gebleken dat algemeen erkende rechtsbeginselen of in Nederland levende rechtsovertuigingen of maatschappelijke belangen in dit geval een rol kunnen spelen, laat staan welke beginselen of rechtsovertuigingen dat zijn.
Dat geldt wel voor de persoonlijke belangen van partijen. Geïntimeerde heeft een persoonlijk belang bij betaling van haar vordering; appellant heeft een persoonlijk belang bij het niet hoeven betalen van deze schuld. Alleen al omdat appellant het in eigen hand heeft gehad zijn persoonlijk belang te dienen door de nalatenschap van erflaatster te verwerpen of (tijdig) beneficiair te aanvaarden is toewijzing van de vordering van geïntimeerde in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de ouderlijke boedelverdeling, over de uitleg van een testament, over het kindsdeel of over de legitieme, over zuivere of beneficiaire aanvaarding of over de verjaring van rechtsvorderingen in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.