Van onze advocaat kindsdeel. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 27 februari 2018 uitspraak gedaan over gedane schenking en het opeisen van het erfdeel. Waren de schenkingen nietig? Was er een juiste dagvaarding uitgebracht?
Op 4 november 1996 is de heer erflater overleden. Hij was in gemeenschap van goederen gehuwd met Echtgenote. Deze gemeenschap van goederen is door zijn overlijden ontbonden. Tijdens hun huwelijk zijn zes kinderen geboren, te weten appellant en geïntimeerde en Kind 3, Kind 4, Kind 5 en Kind 6.
Erflater heeft over zijn nalatenschap beschikt in zijn testament van 23 oktober 1996. Hij heeft zijn echtgenote voor het 1/100e aandeel en zijn zes kinderen voor het resterende aandeel gezamenlijk tot zijn erfgenamen benoemd met plaatsvervulling volgens de wet bij vooroverlijden van een kind.
Erflater heeft in zijn testament op de voet van artikel 1167 BW (oud) een ouderlijke boedelverdeling gemaakt en alle goederen van zijn nalatenschap aan zijn echtgenote toegedeeld onder de verplichting alle schulden van de nalatenschap voor haar rekening te nemen en aan ieder van de kinderen diens netto-erfdeel in geld te betalen en bepaald dat de erfdelen van de kinderen onder meer opeisbaar zijn bij het overlijden van de echtgenote van erflater.
Erflater heeft ook bepaald dat zijn erfgenamen binnen een jaar na zijn overlijden een andere verdeling kunnen overeenkomen dan de door hem gemaakte ouderlijke boedelverdeling. Erflater heeft zijn echtgenote benoemd tot executeur in zijn nalatenschap. Zij heeft haar benoeming tot executeur aanvaard. Erflater heeft verder zijn nalatenschap met uitzondering van de inboedel en het door zijn echtgenote te bewonen woonhuis onder bewind gesteld gedurende het leven van zijn echtgenote en zijn zoons appellant en Kind 5 gezamenlijk tot bewindvoerders benoemd.
De echtgenote en de kinderen van erflater van erflater hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid een andere verdeling overeen te komen dan de door erflater gemaakte ouderlijke boedelverdeling. Zij hebben in een notariële akte van 3 november 1997 de samenstelling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en de nalatenschap van erflater vastgesteld en verdeeld. Aan Kind 6 is toegedeeld de vordering op haarzelf (wegens uit de huwelijksgemeenschap overgenomen goederen en/of ter leen ontvangen gelden van die gemeenschap) van ƒ 940.000,- en een vordering wegens onderbedeling op haar moeder ten bedrage van ƒ 322.000,-.
In deze akte hebben de kinderen van de erflater ook het door elk van hen verkregen fideicommissaire vermogen beschreven.
Kind 6 is op 19 mei 2014 overleden zonder afstammelingen achter te laten. Zij heeft geïntimeerde in haar testament van 6 oktober 2010 tot haar enige erfgename en executeur van haar nalatenschap benoemd. geïntimeerde heeft de nalatenschap en haar benoeming tot executeur aanvaard.
De advocaat heeft gesteld dat het testament van erflater zo moet worden uitgelegd dat Kind 6 niet bevoegd was tot het doen van een herroepelijke schenking ter zake des doods aan geïntimeerde, althans dat de gedane schenkingen in strijd zijn met de goede trouw. Kind 6 heeft als erfgename van haar vader destijds ƒ 1.262.200,– verkregen, waarvan ƒ 222.882,– aan successierechten is voldaan, zodat resteert ƒ 1.039.318,- of € 471.621,95. Dit fideicommissaire vermogen is onvervreemd en onverteerd, omdat geïntimeerde niet anders heeft bewezen en zij geen boedelbeschrijving heeft gemaakt. Op het moment van het overlijden van Kind 6 waren nog vijf kinderen van erflater in leven, zodat 1/5e deel van het fideicommissaire vermogen aan appellant toekomt, dat is € 94.324,39.
De rechtbank heeft in het vonnis van 7 september 2016 geoordeeld dat Kind 6 bevoegd was de schenkingen aan geïntimeerde te doen en dat de schenkingen niet in strijd zijn met de goede trouw. De rechtbank heeft de vorderingen van appellant afgewezen en appellant veroordeeld in de proceskosten.
De advocaat van appellant komt met zes grieven op tegen het vonnis van de rechtbank van 7 september 2016, vermeerdert zijn eis en biedt aan al zijn stellingen te bewijzen. Hij vordert in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en opnieuw recht zal doen en:
-voor recht zal verklaren dat de schenkingen van 24 mei 2012 van Kind 6 aan geïntimeerde nietig en/of ongeldig zijn, althans dat Kind 6 onbevoegd was deze schenkingen te doen;
-voor recht zal te verklaren dat geïntimeerde, zowel in persoon als in haar hoedanigheid van executeur, onbevoegd is/was om over het overgebleven fideicommissaire vermogen (verkregen door Kind 6 uit de nalatenschap van haar vader) te beschikken en daaruit schenkingen ter zake des doods te voldoen, waaronder begrepen de schenkingen van 24 mei 2012 van Kind 6 aan geïntimeerde;
-voor recht zal verklaren dat het recht van appellant op diens aandeel in het overgebleven fidei- commissaire vermogen (verkregen door Kind 6 uit de nalatenschap van haar vader) prevaleert boven het recht van geïntimeerde als begiftigde voor zover de aan haar gedane schenkingen van 24 mei 2012 uit dit fideicommissaire vermogen zijn gedaan;
-geïntimeerde zal veroordelen tot voldoening van een bedrag van € 94.324,34 aan appellant, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 4 november 1996 tot aan de dag der algehele voldoening en een bedrag van € 1.718,24 aan buitengerechtelijke kosten;
-geïntimeerde zal veroordelen in de kosten van deze procedure en de kosten van de procedure in eerste aanleg, de eventuele nakosten daaronder begrepen en haar zal veroordelen tot terugbetaling aan appellant van een bedrag van € 3.858,- (het bedrag aan proceskosten inclusief nakosten dat appellant naar aanleiding van het vonnis in eerste aanleg aan geïntimeerde heeft voldaan), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat het hof arrest wijst tot de dag der algehele voldoening.
Dagvaarden in het erfrecht. Was er een juiste dagvaarding uitgebracht?
Het hof komt nog niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil van partijen, omdat er (procesrechtelijke) onvolkomenheden aan de vorderingen van appellant kleven die het hof ambtshalve moet beoordelen. De vraag is of het mogelijk is deze onvolkomenheden te herstellen en alsnog toe te komen aan het inhoudelijke geschil van partijen zonder daarbij de (proces)belangen van partijen te schaden.
De complexiteit van het burgerlijke procesrecht is, vooral in het erfrecht, vaak de oorzaak van dergelijke onvolkomenheden. Het procesrecht heeft een dienende functie. Uiteindelijk gaat het erom dat de rechter het inhoudelijke geschil van partijen kan beoordelen. Dit uitgangspunt maakt dat procesrechtelijke belemmeringen zoveel mogelijk moeten worden weggenomen en onvolkomenheden moeten worden hersteld. Noch de rechtbank noch partijen hebben deze onvolkomenheden gesignaleerd of zich daarop beroepen, maar zich geheel gericht op het inhoudelijke geschil. Het hof gaat ervan uit dat partijen geen bezwaar hebben tegen de wijze waarop het hof deze onvolkomenheden zal herstellen.
De advocaat van geïntimeerde wijst ook op een onvolkomenheid. Appellant zou haar in eerste aanleg enkel in privé hebben gedagvaard, maar stelt zijn dagvaarding in hoger beroep ook in jegens geïntimeerde als executeur. Dat kan volgens haar niet, omdat een rechtsmiddel moet worden ingesteld tegen de procespartij in de voorgaande instantie in de hoedanigheid in die instantie. Hij is volgens haar dan ook niet-ontvankelijk in zijn vordering jegens haar als executeur. Anders dan geïntimeerde meent is hier geen sprake van een onvolkomenheid, laat staan van de strenge sanctie van niet-ontvankelijkheid. Zowel de advocaat van appellant als de advocaat van geïntimeerde hebben de dagvaarding in eerste aanleg overgelegd. Daarin staat duidelijk vermeld dat wordt gedagvaard “ geïntimeerde (…), zowel in persoon als in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van wijlen Kind 6 (…)”. Of het zinvol is dat appellant geïntimeerde heeft gedagvaard in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van Kind 6 is de vraag. Zoals hierna zal blijken gaat het in deze procedure immers niet om de nalatenschap van Kind 6, maar om die van erflater.
Gelet op de bewoordingen van het testament is in deze zaak sprake van een fideicommissaire erfstelling, waarbij zowel de bezwaarde (in dit geval Kind 6) als de verwachters (haar vijf broers en zussen) erfgenaam zijn in de nalatenschap van erflater. De bezwaarde is erfgenaam onder de ontbindend voorwaarde dat hij overlijdt en de verwachter hem overleeft; de verwachters zijn erfgenamen onder de daarbij aansluitende opschortende voorwaarde dat zij de bezwaarde overleven.
Bij het overlijden van erflater zijn de bezwaarde erfgenamen en de echtgenote onder algemene titel opgevolgd in het vermogen van erflater. Zij zijn vervolgens overgegaan tot verdeling van de nalatenschap van erflater. Bij het overlijden van Kind 6 (bezwaarde) zijn haar vijf broers en zussen onder algemene titel opgevolgd in hetgeen resteert van het door Kind 6 krachtens erfrecht van de erflater verkregen vermogen (fideicommis de residuo).
De nalatenschap van erflater is aldus eerst overgegaan op zijn echtgenote en zijn zes kinderen en vervolgens – voor zover het gaat om hetgeen onvervreemd en onverteerd is gebleven van hetgeen daarvan is toegedeeld aan Kind 6 – van erflater op de vijf verwachters. Appellant is samen met zijn broers en zussen deelgenoot in deze (fideicommissaire) nalatenschap. Zowel het erfrecht zoals dat gold tot 1 januari 2003 als het thans geldende erfrecht leiden tot deze gevolgtrekkingen.
Processueel ondeelbare rechtsverhouding
Voor de omvang van die nalatenschap is van belang of de schenkingen van Kind 6 aan geïntimeerde geldig zijn of niet. Bij het beroep van appellant op de nietigheid van die beide schenkingen is het noodzakelijk allen tegen wie op deze nietigheid een beroep moet worden gedaan in de procedure te betrekken. Dat zijn de andere deelgenoten in die (fideicommissaire) nalatenschap en de executeur in die nalatenschap (de echtgenote van erflater en de moeder van partijen), indien deze nog in functie is en ook de bewindvoerders. Er is sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Laat degene die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding na om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter ambtshalve de gelegenheid te geven om de niet opgeroepen personen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) (HR 10 maart 2017, HR:2017:411).
Het hof zal appellant de gelegenheid geven op de voet van artikel 118 Rv zijn broers, Kind 3 en Kind 5 (als deelgenoot en bewindvoerder), zijn zus Kind 4 en zijn moeder, indien deze nog als executeur in functie is, alsnog in het geding te betrekken. Indien appellant niet (of niet tijdig) van die gelegenheid gebruik maakt, dan zal het hof hem niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering een verklaring voor recht te geven dat de schenkingen nietig of ongeldig zijn.
Schenking en opeisen erfdeel. Schenking ter zake des doods. Herroepen van schenking? Schenkingen nietig?
De overige vorderingen strekken ertoe dat geïntimeerde aan appellant een bedrag in geld betaalt ter grootte van 1/5e deel van de (fideicommissaire) nalatenschap. De vraag rijst wat de rechtsgrond is van die vorderingen.
Dat appellant voor 1/5e deel deelgenoot in die nalatenschap is, is op zich onvoldoende om te komen tot toewijzing van die vorderingen. In dit geval berust de gehele (fideicommissaire) nalatenschap, wat daarvan ook de omvang moge zijn, onder geïntimeerde. Als appellant gelden of goederen van die nalatenschap wil opvorderen bij geïntimeerde dient hij dat te doen op de voet van artikel 4:183 BW (hereditatis petitio).
Hij kan daartoe een rechtsvordering instellen zonder medewerking van de andere deelgenoten, maar alleen als hij die vordering instelt ten behoeve van de nalatenschap (artikel 3:171 BW). Dat heeft hij hier niet gedaan. Hij heeft de vordering alleen ingesteld ten behoeve van zichzelf en is daarin dan ook niet-ontvankelijk. Anders dan onder het oude recht (artikel 4:881 lid 2 BW (oud)) kan appellant niet zijn aandeel in de nalatenschap opvorderen bij geïntimeerde. Bovendien is hier mogelijk nog een andere reden waarom appellant deze vordering niet kan instellen. Indien zijn moeder nog als executeur in functie is, heeft zij het beheer van de fideicommissaire nalatenschap en komt haar met uitsluiting van de erfgenamen en de bewindvoerders de hereditatis petitio toe.
In dit geval is ook geen sprake van een verbintenis van geïntimeerde om aan elk van de andere deelgenoten een bedrag in geld te betalen ter grootte van hun aandeel in de nalatenschap. Dat de nalatenschap onder haar berust roept nog niet een dergelijke verbintenis in het leven.
Het hof houdt het dan ook ervoor dat appellant met zijn vordering kennelijk niet het opvorderen van de goederen van de nalatenschap beoogt of betaling van een reeds bestaande verbintenis van geïntimeerde jegens hem, maar een verdeling van de nalatenschap waarbij aan hem een bedrag in geld ter grootte van 1/5e deel van die nalatenschap wordt toegedeeld.
Voor de vaststelling van die verdeling is het net als voor de vraag naar de geldigheid van de schenkingen noodzakelijk alle deelgenoten en bewindvoerders in de (fideicommissaire) nalatenschap in de procedure te betrekken. Ook hier is sprake van een de processueel ondeelbare rechtsverhouding. Verwezen wordt naar wat daarover hiervoor is opgemerkt.
Erflater heeft een executeur benoemd en een bewind ingesteld over goederen van zijn nalatenschap. Het is de vraag wat de betekenis daarvan is voor deze procedure. Voor de executeur is die vraag alleen van belang als deze nog in functie is. Het hof zal – in het geval appellant ervoor kiest zijn broers Kind 3 en Kind 5 en zijn zus Kind 4 en mogelijk zijn moeder in de procedure te betrekken – een comparitie van partijen gelasten om deze vraag met partijen te bespreken. Deze comparitie zal ook worden benut om de mogelijkheden voor een vergelijk tussen partijen te verkennen en om inlichtingen in te winnen, onder meer over de samenstelling van de fideicommissaire nalatenschap en over de uitleg van het woord schenking in de zin in onderdeel IV.C. van het testament van erflater die luidt: “De verkrijger onder de last van fideicommis de residuo kan niet bij schenking over de hem onder die last nagelaten goederen beschikken, anders dan aan personen die afstammelingen van mij zijn.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over schenkingen in het erfrecht of over het juist dagvaarden in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.