Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vermindering van een quasi-legaat.
De grieven van de vereffenaar komen erop neer dat het hof in de beschikking van 24 februari 2015 al heeft geoordeeld dat van een verzorgingskarakter bij de aanwijzing van geïntimeerde als begunstigde van de beide verzekeringspolissen geen sprake is.
Dit heeft de rechtbank volgens de vereffenaar miskend.
Maar wat hier verder ook van zij, het verzorgingskarakter ontbreekt volgens de notaris sowieso en zo al van een verzorgingskarakter zou moeten worden uitgegaan dan is vergoeding van de waarde van de polis op grond van artikel 4:127 BW niet onredelijk.
Vermindering van een quasi-legaat. Begunstiging. Onredelijkheidscriterium. Verzorgingskarakter.
De rechter oordeelt als volgt.
Het hof gaat ervan uit dat de uitkering die door het overlijden van erflater verschuldigd is geworden als een gift geldt en dat de begunstiging van geïntimeerde een quasi-legaat is (4:126 lid 2 onder b BW).
Dit heeft tot gevolg dat geïntimeerde verplicht is tot vergoeding van de waarde van het in mindering komende gedeelte aan de vereffenaar, maar alleen voor zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is (artikel 4:127 BW en 4:216 BW).
Deze beperking is opgenomen met het oog op een goede afstemming tussen het erfrecht en het verzekeringsrecht.
In de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2000/01, 17 213, nr. 7, pag. 5-6) is daarover opgemerkt:
“De toevoeging van de aan artikel 4.3.3.14 lid 1 (thans artikel 4:90 lid 1 BW) ontleende woorden «voor zover dit niet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is» strekt ertoe de regels van erfrecht en verzekeringsrecht beter op elkaar af te stemmen. Daarvoor is reden, nu begunstigingen door sommenverzekering tijdens leven van de erflater niet door beslag of in faillissement of schuldsaneringsregeling uitgewonnen kunnen worden, wanneer zulks voor de verzekeringnemer of de begunstigde onredelijk benadelend zou zijn (zie de artikelen 479p lid 1 Rv, 21a lid 1 en 295a lid 1 Fw).
Van onredelijke benadeling in de zin van de genoemde bepalingen is met name sprake wanneer de begunstigingen een verzorgingskarakter hebben. Door de wijziging wordt voorkomen dat een begunstiging die tijdens leven van de verzekeringnemer niet kon worden uitgewonnen, na zijn overlijden wèl kan worden uitgewonnen ten behoeve van schuldeisers en legitimarissen. Begunstigingen door sommenverzekering zullen zo minder snel aanleiding geven tot inkorting of vermindering dan andere vermogensverschuivingen bij dode, welke via de nalatenschap lopen.
Tevens wordt door de koppeling van het onredelijkheidscriterium, ontleend aan artikel 4.3.3.14 lid 1, aan het criterium «onredelijke benadeling» uit het verzekeringsrecht, bereikt dat bij begunstigingen uit sommenverzekering met een verzorgingskarakter niet telkens vastgelegd behoeft te gaan worden – hetgeen ook thans niet pleegt te gebeuren – dat de begunstiging strekt ter nakoming van een natuurlijke verbintenis en derhalve geen quasi-legaat oplevert in de zin van artikel 4.4.2.7b lid 2 onder b (thans artikel 4:126 lid 2 onder b BW).”
Het hiervoor genoemde artikel 21a Faillissementswet (Fw), thans vernummerd naar artikel 22a Fw, bepaalt dat het recht op het doen afkopen van een levensverzekering en het recht om de begunstiging te wijzigen in faillissement buiten de boedel vallen voor zover de verzekeringnemer of de begunstigde door afkoop of door wijziging van de begunstiging onredelijk wordt benadeeld.
Uit de parlementaire geschiedenis (Toelichting) van het huidige artikel 22a Fw (Kamerstukken II 1994-1995, 22 969, nr. 20, p. 6) volgt dat onredelijke benadeling bij de uitwinning in faillissement door de curator zal moeten worden aangenomen indien het een levensverzekering met verzorgingskarakter betreft.
Hierbij staat primair het belang van de begunstigde voorop.
Ook indien de aanwijzing van een derde als begunstigde als een gift is aan te merken kan van onredelijke benadeling sprake zijn indien verzorgingsaanspraken van de begunstigde worden uitgewonnen.
Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat voor de vraag of is voldaan aan het onredelijkheidscriterium van artikel 4:126 lid 2 onder b BW doorslaggevend is of de begunstiging een verzorgingskarakter heeft.
Het belang van de begunstigde staat daarbij voorop en gaat voor op de belangen van schuldeisers en legitimarissen.
Van een verzorgingskarakter is niet alleen sprake indien erflater met de begunstiging uitdrukkelijk de verzorging van de begunstigde heeft beoogd, maar ook indien de begunstiging in de gegeven omstandigheden noodzakelijk blijkt voor de betaling van de kosten van studie en levensonderhoud van de begunstigde.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat kindsdeel over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een legaat of begunstiging in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het kindsdeel, bezoek dan onze website over het kindsdeel. Klik dan hier.