Van onze advocaat kindsdeel erfenis. Onlangs heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan over een verzoek om het kindsdeel van de kinderen op de voet van bepaalde in artikel 4:17 BW te mogen uitkeren.
In geschil was het verzoek van de advocaat van de verzoeker tot het verkrijgen van toestemming om de kindsdelen uit de nalatenschap van de erflater uit te mogen keren aan de kinderen.
De rechtbank heeft in eerste aanleg het verzoek afgewezen op de enkele grond dat de erflater geen testament heeft opgemaakt, derhalve de wettelijke verdeling geldt en de kindsdelen pas opeisbaar zijn als de rechthebbende komt te overlijden. De rechtbank heeft zich daarbij kennelijk gebaseerd op het bepaalde in artikel 4:13 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
De advocaat van de verzoeker erkent dat er inderdaad geen testament is opgemaakt en dat de wettelijke verdeling geldt, maar stelt dat de rechtbank volledig voorbij is gegaan aan het bepaalde in artikel 4:17 BW, hetwelk meebrengt dat de echtgenoot de geldvordering van de kinderen (het kindsdeel) uit hoofde van de wettelijke verdeling te allen tijde geheel of gedeeltelijk kan voldoen. De verzoeker stelt dat de langstlevende echtgenoot, zijn broer en hijzelf de enige erfgenamen zijn en dat zij het er allen over eens zijn dat de in artikel 4:13 lid 3 BW bedoelde geldvordering na toewijzing van onderhavig verzoek geheel wordt voldaan aan de twee kinderen.
De advocaat van verzoeker stelt dat de verzochte bijdrage zonder meer kan worden voldaan uit het bestaande vermogen, ongeveer € 300.000,-, temeer nu er geen vooruitzicht is dat ten laste van dit vermogen in de toekomst substantiële bedragen ten behoeve van de echtgenoot uitgekeerd dienen te worden.
Daarnaast is de uitkering van het kindsdeel van belang nu de langstlevende echtgenoot sinds januari 2015 in een woonzorgcentrum woont en zij twee jaar na het overlijden van haar echtgenoot een hogere bijdrage in de zorgkosten zal moeten voldoen die is gebaseerd op een bepaald percentage van het Box 3-vermogen. In afwijking van het verzoek in eerste aanleg, waarbij een uit te keren erfdeel van € 48.985,- per kind is verzocht, verzoekt de advocaat van verzoeker thans het uit te keren erfdeel te bepalen op € 37.229,- per kind, zulks in overeenstemming met het bedrag van de verkrijging.
Het hof oordeelt in hoger beroep als volgt. Op zich is de overweging van de rechtbank, dat de kindsdelen pas opeisbaar zijn als de langstlevende echtgenoot komt te overlijden, nu de wettelijke verdeling van toepassing is en de erflater niet heeft bepaald dat die buiten toepassing blijft, juist.
In dit geval heeft de verzoeker echter de vorderingen niet opgeëist maar in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van rechthebbende, dus namens de langstlevende echtgenoot die hij in en buiten rechte vertegenwoordigt, toestemming verzocht om aan de kinderen van de rechthebbende de erfdelen (de kindsdelen) uit de nalatenschap van erflater uit te mogen keren op de voet van artikel 4:17 lid 1 BW.
Het hof is van oordeel dat het verzoek op grond van het bepaalde in artikel 4:17 lid 1 BW toewijsbaar is. Nu alle betrokkenen zich bovendien kunnen vinden in het verzoek van de verzoeker zal het hof overeenkomstig zijn gewijzigde verzoek beslissen.
Heeft u vragen over een kindsdeel in een erfenis, het opvragen of het berekenen van een kindsdeel in een erfenis, belt u dan gerust onze advocaat kindsdeel erfenis op 020-3980150.